Posts tonen met het label schrijven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label schrijven. Alle posts tonen

Ys en weder dienende


’s Zomers zwem ik twee keer per week in een Fortgracht net buiten de stad. Omdat de locatie voorkomt in de huidige versie van een toekomstig boek, fietste ik naar het water om een paar details te checken toetsen aan mijn geheugen. Een zinloze onderneming: de passage speelt in de zomer en de informatie die ik zocht is ’s winters onvindbaar. Aan de andere kant… misschien kan ik nog iets doen met kou en schaatsen…
‘Wordt 't een erotische passage?’
‘Zou je dat leuk vinden?’
‘…’
‘…’
‘Wat zit je nou te lachen?’
'...'
‘Kut! Het was 'n citaat hè!?’
‘Maar waaruit?’
‘Geef es een hint?’
‘Zou je dat leuk vinden?’
‘???’
‘Het is de laatste regel uit een roman waarin de vrouw van een komiek – ’
‘Hedonia!’
‘Correct! En binnen de tijd. Alsjeblieft: de krultang...is voor jou.’
‘…’
‘Weet je al wat je met je prijs gaat doen?’
‘Mijn haar krullen denk ik.’
‘Goed antwoord! Alsjeblieft... nog een krultang! Bofferd! Dat maken we niet vaak mee hoor, twee krultangen naar één kandidaat. En nog wel eentje met van dat steile haar!'
'...'
'Weet je al wat je met de krultangen gaat doen?’
‘…’
‘Je kunt ze ook op Marktplaats zetten. Dan koop ik ze. En als je dan volgende keer weer een vraag goed hebt, dan krijg je weer een krultang.’
‘Sorry, ik moet even een paar euro in de parkeerautomaat doen.’
‘Weet je nog in welk jaar Hedonia is verschenen?’
‘1984. En achterin het boek staat een artikel dat de auteur van de roman in de jaren zeventig voor de Haagse Post schreef. Het gaat over humor, dat stuk, en het telt 42 voetnoten.’
‘God, ik wou dat ik je nog een krultang kon geven, serieus. Maar ze zijn op.’
‘Wat had ik gekregen als ik kaal was?’
‘Dan had je alleen een krultang gekregen bij foute antwoorden.’
‘Ha,ha!’
‘Ha,ha,ha,ha!’

Imbecielen - I will rise up with fists

‘Iemand die denkt dat het maar het beste zou wezen voor eeuwig en altijd de lasteraars, de leugenaars, de bedriegers en de imbecielen het hoogste woord te laten voeren zonder ze belachelijk te maken, die kan beter heroïnespuiter worden of zich dood drinken.’

Willem Frederik Hermans onderwijst Frans A. Janssen en Freddy de Vree in Door gevaarlijke gekken omringd (1988).

'Dat citaatje heb je twee jaar geleden ook al gebruikt.'
'Niet iedereen heeft zo'n goed geheugen als jij, Frits.'
'Ik ben Cees.'
'Niet iedereen heeft zo'n goed geheugen als jij, Cees.'

Soundtrack: I still believe/ And I will rise up with fists/ And I will take what's mine.

'Make amusement all you wish'

'De bleke koning is geen pleidooi voor een hernieuwde vorm van filmcensuur. Wel laat het boek zien welke emotionele leegte door de wildgroei aan extreem amusement verdrongen wordt,' schrijft Daniël Rovers - die, samen met Iannis Goerlandt, David Foster Wallace's The Pale King (2011) vertaalde - in de De Groene Amsterdammer van vandaag (donderdag 17 januari 2013 (nummer 3 van alweer de 136e jaargang)).

Het roept die beroemde dialoog uit Infinite Jest (1996) in herinnering:

‘You U.S.A.’s do not seem to believe you may each choose what to die for. Love of a woman, the sexual, it bends back in on the self, makes you narrow, maybe crazy. Choose with care. Love of your nation, your country and people, it enlarges the heart. Something bigger than the self.’
Steeply laid a hand between his misdirected breasts: ‘Ohh... Canada...’
Marathe leaned again forward on his stumps. ‘Make amusement all you wish. But choose with care. You are what you love. No? You are, completely and only, what you would die for without, as you say, the thinking twice. You, M. Hugh Steeply: you would die without thinking for what?’

David Foster Wallace, Infinite Jest (1996; p. 107).

Nieuwe media, nieuwe metaforen

'Demons,' said Annie.
'Right. And I've killed them. And it was hard, and now they're dead and I've completed the level, and it's time to move to the next level.'


Zadie Smith, NW, Hamish Hamilton (2012; p. 136).

Strijd

'Met name Nabokovs wonderwerk Ada vormt een herkenbare inspiratiebron van De eeuwige jachtvelden. En net als Nabokov vecht Tepper een voortdurend stilistisch gevecht uit op zijn pagina's. Maar waar Nabokov een strijd levert tegen de banaliteit van de stijlloze zin, daar vecht Tepper tegen een veel verraderlijker vijand: de sentimentaliteit van een gemediatiseerde wereld. En omdat Tepper minder stijlvast is dan Nabokov, dreigt hij het gevecht voortdurend te verliezen. Dát maakt zijn boek zo aangrijpend.'

Uit: Daniël Rovers, Wat wil je dat ik zeg? Wat wil je dat ik wil horen? (een essay uit: Bunzing, over land, literatuur & rijtjeshuizen, Uitgeverij Vantilt, Nijmegen (2005; p. 174)).

Behalve De eeuwige jachtvelden (1995) publiceerde Nanne Tepper De avonturen van Hillebillie Veen (1997, handelseditie 2002), De vaders van de gedachte (1998) en De lijfbard van Knut de Verschrikkelijke: atonale schertsen (2008).

Op de website van de NRC kunnen de stukken die hij voor de boekenbijlage van het dagblad schreef worden teruggelezen.

Teppers proza is net zo intens, heftig, zintuiglijk en waarachtig als dat van Jan Wolkers en net zo melancholisch en verzadigd met een besef van vergankelijkheid als dat van Nescio.

Lezen mensen over vijftig jaar nog boeken, dan lezen ze ook die van Nanne Tepper (1962-2012).

Afbeelding: Provincie Groningen.

Zonnebloemen

Utrecht. Instituto Cervantes. Een zaaltje op de eerste verdie-ping (parketvloer, rode stoeltjes). Alejandro Zambra zit achter een tafel op het podium, naast hem een grote vaas zonnebloemen. Hij heeft een lezing gehouden over 'de roman' en wordt nu geïnterviewd door zijn vertaler, Luc de Rooy. Zambra vertelt dat hij niet in genres gelooft. Je begint aan een tekst en onderweg, of na afloop, ontdek je wat je eigenlijk aan het maken bent - of wat je hebt voltooid. Hij vindt het ook prettig om zinnen te maken die niet voor publicatie zijn bedoeld, zo schrijft hij iedere dag in zijn dagboek. Om in conditie te blijven. Hij vergelijkt het dagboekschrijven met een bezoek aan de sportschool. ‘Al is het een tijd geleden dat ik voor het laatst sit-ups heb gedaan.’ Hij glimlacht verlegen. De meisjes in het publiek lachen, een uitnodiging om uit te wijden - maar Zambra vervolgt zijn betoog.

Voorplat: Anagrama.

Boston

‘Elke zaterdagochtend pakte hij de bus naar de dichtstbijzijnde halte en daarna nam hij de metro die hem de enige stad in voerde die hij ooit had gekend. Het was natuurlijk geen New York, maar een andere keuze had hij niet, en Levi koesterde het stadse leven op dezelfde manier als vorige generaties het landelijke leven aanbaden; als hij er een ode voor had kunnen schrijven, had hij het gedaan. Maar op dat gebied kon hij niet veel – hij probeerde het vroeger wel, schriften vol tenenkrommende rijmelarij. Hij had geleerd het over te laten aan de ratelende jongens in zijn koptelefoon, de Amerikaanse dichters van vandaag, de rappers.’

Zadie Smith, Over schoonheid (On beauty; 2005), vertaald door Monique Eggermont en Kitty Pouwels (Prometheus, 2005; p.77).

‘Lees jij Zadie Smith in het Nederlands?’
‘Soms. Waarom wil je dat weten?’
‘Gewoon. Uit nieuwsgierigheid.’
‘Mmm.’
‘…’
‘On beauty is een fijn boek hoor. Het is een kruising tussen een E.M. Forster-roman en de moderne ensemblefilm en er zitten een paar echt ontroerende momenten in.’
‘Ontroering. Dat geldt als maatstaf?’

Een vriendin stuurde me een column die recensent Arjan Peters vorige maand (22/09/12) in De Volkskrant publiceerde waarin hij (Peters) ingaat op de vertaling van Zadie Smith’s NW. Eerst prijst A.P. de creatieve vondsten van vertaler De Nijs:

‘Maar vaker lijkt de vertaling vaderlijk, alsof hij de wildheid van zijn leerlinge weliswaar begrijpt, maar haar liever intoomt.’

Wildheid – De nieuwe Smith staat genoteerd.

Vijftig tinten Tyn

Over vier maanden en zes dagen moet de eerste versie van mijn nieuwe roman klaar zijn (werktitel: Vijftig tinten Tyn). Verwacht de komende tijd dus niet al te veel berichten hier. Overigens kun je wel gewoon contact opnemen voor een kort verhaal, een essay, kritiek of (voor)lezing.

‘Ah, dus dat van dat abonnement was gewoon een flauw grapje?’
‘Nou, flauw zou ik niet zeggen.’
‘…’
‘Ik mikte op een glimlach.’
‘Moet je beter richten.’

It’s never about being seen – exercises de style (XII)

‘Assume wrongly for a second that I can speak for the Enfield Academy. I say you do not get it. The point here for the best kids is to inculcate their sense that it’s never about being seen. It’s never. If they can get that inculcated, the Show won’t fuck them up, Schtitt thinks. If they can forget everything but the game when all of you there outside the fence see only them and want only them and the game’s incidental to you, for you it’s about entertainment and personality, it’s about the statue, but if they can get inculcated right they’ll never be slaves to the statue, they’ll never blow their brains out after winning an event when they win, or dive out a third-story window when they start to stop getting poked at or profiled, when their blossom starts to fade.’

David Foster Wallace, Infinite Jest (1996; p.661).

In het ruim driehonderd pagina’s lange interview Although of course you end up becoming yourself, a road trip with David Foster Wallace (David Lipsky, Broadway Books, New York, 2010; p. 165) verwoordt de auteur hetzelfde pedagogische materiaal zo:

‘If you as a writer think that your job is to get as many people to like your stuff and think well of you as possible… And I could, we could both, name writers that it’s pretty obvious that’s their motivation? It kills the work.’

‘Is bloggen naar de bal kijken of het publiek toezwaaien?’
‘Goeie vraag.’
‘Bekroon ’m met een antwoord.’
‘Een literaire blogger probeert het publiek op de bal te wijzen.’
‘Je hebt anders wel een oogverblindend tenue aan vandaag.’
‘Dankjewel, mijn literair agent regelt dat soort dingen.’
‘Bij wie zit jij?’
‘Bij Paul Zeeprest.’
‘…’
‘Ja, sorry dat ik even volschiet, maar hij is niet alleen mijn agent, maar ook één van mijn allerbeste vrienden… het is zo’n warme persoonlijkheid en zo’n bijzonder en fijnzinnig en onbaatzuchtig en intelligent mens en ik heb zo ontzettend veel aan hem te danken… niet alleen zakelijk bedoel ik: Zeeprest raadt me altijd bijzondere boeken aan, zowel literair als wijsgerig, hij scherpt mijn kritische intelligentie en mijn poëtische blik en hij heeft mijn vasthoudendheid gehard, mijn stilistische palet verrijkt en mijn unieke gevoel voor humor en mijn zachte, liefdevolle, empathische kanten tot wasdom gebracht.’
‘En laten we je bescheidenheid niet vergeten.’
‘Nee, nee… dat is één van de weinige dingen die ik niet aan hem te danken heb: ik heb vorig jaar een intensieve cursus bescheidenheid gevolgd.’
‘…’
‘Ik was de beste van de groep.’

Waar je ook bent, ik verlaat je nooit

‘In de literaire theorie is het denken over differentiatie in stijl en structuur sterk beïnvloed door de gedachten van Italo Calvino in Zes memo’s voor het volgende millennium. In het essay over veelvoudigheid geeft Calvino een indruk van een niet-uniforme literatuur, een ‘encyclopedische’ literatuur, die in staat is om verschillende takken van het weten, de verschillende codes, samen te weven tot een veelvormige en veelzijdige visie op de wereld. Nu heeft Calvino echter het voorrecht een mannelijke auteur te zijn met, geheel in Weiningers stijl, een zuiver monadische eruditie. Dat verklaart waarom hij in dit verband Woolfs Orlando niet kan citeren, een boek dat met zijn wisseling van stijl en perspectief niet alleen ‘ontsnap[t] aan het begrensde perspectief van het individuele ego, maar bovendien in de ontwikkeling van zijn vorm expliciet de ontwikkelingen in de inhoud reflecteert, zodat de tekst ‘zijn eigen ruimte verdubbelt of verveelvoudigt’. Juist die directe spiegeling, de spiegeling van vorm en inhoud, maakt duidelijk dat de encyclopedische literatuur ook een encyclopedische methode van denken is.’

Uit: M. Februari & Marjolijn Drenth, Een pruik van paardenhaar & Over het lezen van een boek, Amartya Sen en de Onmogelijkheid van de Paretiaanse Liberaal (Querido, 2000;p.111).

Was ik uitgever, dan zou ik bij een herdruk van bovenstaande titel de volgende passage op het achterplat zetten (Ibid., p. 155):

‘Lieve V. Een brief is maar een tijdelijk bericht van eenzaamheid. Wie vermoedt dat de eenzaamheid eeuwig is schrijft een boek. De schriftgeleerden zullen achter beide, brief en boek, het oude verlangen wel weten aan te wijzen. Het vlees, zeggen zij, is zwak. Maar vanaf nu zul je begrijpen wat dat als drijfveer voor het schrijven eigenlijk betekent. Het betekent: waar je ook bent, ik verlaat je nooit.’

De brief gaat, volgens mij, ook, over de relatie tussen schrijver en lezer, tussen auteur en zijn of haar talent en zelfs tussen individu en samenleving en wetenschapper en traditie. Een comparatief literatuurwetenschapper houdt de passage ook even naast het nawoord van Februari’s romandebuut.

A wise old friend – exercises de style (IX)

‘Gogol was a strange creature, but genius is always strange; it is only your healthy second-rater who seems to the grateful reader to be a wise old friend, nicely developing the reader’s own notions of life. Great literature skirts the irrational,’ schreef Nabokov in 1944 in het vijfde hoofdstuk van zijn Gogol biografie.

Else Hoog vertaalde die regels (in 1973) als volgt:

‘Gogol was een merkwaardig wezen, maar genie is altijd merkwaardig; alleen de door en door gezonde tweederangs auteur doet zich aan de dankbare lezer voor als een wijze oude vriend, die de gedachten die de lezer over het leven heeft keurig netjes verder ontwikkelt. Werkelijk grote literatuur bevindt zich voortdurend op de rand van het redeloze.’

Werkelijk grote cinema ook trouwens. Net als werkelijk grote kookkunst.

‘En werkelijk grote liefde volgens mij ook!’
‘Maak er nou geen kitsch van.’
‘Die opmerking zegt meer over jou dan over mij, vuile schoft! Met je nihilistische praatjes! Ik spreek jou nog wel!’
‘…’

Overigens liep ik vanmiddag, in Amsterdam (wat is dat toch een schitterende stad, mensen!), de gerespecteerde auteur, econoom en journalist Maarten Schinkel tegen het lijf. Hij legde uit waarom ik die weddenschap uit het bericht hieronder ga verliezen. Zijn betoog klonk, eerlijk gezegd, nogal overtuigend – maar aan de andere kant: eeuwenlang dacht iedereen dat mensen niet over water kunnen lopen totdat Jezus Christus langskwam om het tegendeel te bewijzen. Dat hotel gaat in guldens geboekt worden.

Eerder: Was wäre das Leben ohne das Handwerk? – exercises de style (VIII)

Fruitbomen, rozenstruiken, liguster-haag

Ik stond de ligusterhaag te knippen. Over de paden, tussen de tuinen, wandelde een oudere mevrouw. Onder de duindoorn bleef ze staan. Ze zei iets vriendelijks over de honderden bloemen in de boerenjasmijn van mijn overburen en we praatten wat over het voorjaar en over de strenge winter. De mevrouw vertelde dat vrienden van haar vorig jaar een huis met een boomgaard hebben gekocht. In Odijk. Een deel van de fruitbomen die er stonden hebben ze laten kappen om er rozenstruiken voor in de plaats te planten, alleen zijn die afgelopen winter bijna allemaal kapotgevroren. Toen de mevrouw even later groette en weer verder wandelde, bleef ik nog een tijdje staan nadenken over die mensen in Odijk.

‘Want?’
‘Ik weet niet... Ik denk dat die anekdote doet wat literatuur altijd doet: de raadselachtigheid van het leven uitdrukken. En dát komt dan weer doordat in het handjevol woorden dat de vrouw gebruikte de nieuwe eigenaren van die boerderij werden geïntroduceerd. Ook zonder erover na te denken veronderstel je dat ze vol dromen, wensen en verwachtingen naar hun boerderijtje zijn verhuisd – en na de eerste winter beleven ze dan meteen dat drama met die kapotgevroren rozen. Het verhaal gaat dus niet over vernietiging, maar over verlies.'
'...'
'Wat zijn die mensen nog meer kwijt met het sterven van die struiken? Worden ze in wezen afgestoten door de grond waar ze zich net hebben gevestigd? Of zijn ze alleen maar gestraft voor het rooien van die fruitbomen? Of betekent het sterven van de rozen dat hun liefde niet zal kunnen gedijen op nieuwe grond?'
'De kapitale rozenstruiken zijn het offer waarna het stel kan wortelen... tenzij het doodvriezen nog veel groter ramspoed inluidt?'
'Ja, precies!'
'...'
'Het leven geeft tekens en wij proberen die te duiden.’
'...'
'Een verhaal, zelfs in haar allerkleinste vorm, drukt waarheden en mogelijkheden en gelijktijdigheden uit die het niet-verhaal onmogelijk kan overbrengen.'
'Oewaaaaaaaaaaaaaaaa. Sorry, ik vind het súperinteressant wat je allemaal vertelt, maar ik geloof dat ik de afgelopen dagen een beetje teveel sport heb gekeken.'

Dictee

De twee dames voor mij - bij Bond & Smolders, where we lay our scene - bewonderden de kleurige taarten in de vitrine. Gedempte kreetjes. Ze kwamen te spreken over Franse patissiers. De kleinste van de dames dwaalde hardop af naar de logeerpartijtjes uit haar kindertijd. ‘Ach ja,’ zei ze. ‘Mijn oudtante was een sensibele Parisienne die toen zij door het lot plotseling tot weduwe werd geslagen haar hoge levensstandaard vast wist te houden doordat zij ondanks kwaaltjes, kwetsuren en blessures bleef werken als vaste pedicure van de in een classicistisch gebouw gevestigde balletschool op de grens van het zevende en negende arrondissement waar al sinds Napoleontische tijden fameuze prima ballerina's werden opgeleid en waar Degas geregeld schetsen kwam maken voor werken die nu nog altijd te zien zijn in het Musée d'Orsay.’ De spreekster - ze had zich halverwege de zin vastgegrepen aan de rand van de vitrine - zoog na de punt haar longen vol verse lucht.

L'ère du soupçon

‘Ik ben onzeker en ik vertrouw niemand.’

Jeroen Mettes in het nawoord van N30.

Terugschrijven

'In het titelopstel [van L'Ère du soupçon, MK] stelt Sarraute vast dat er tussen schrijver en lezer een alleszins gerechtvaardigd wantrou-wen is ontstaan. Zolang het romanpersonage als ‘levend’ mens geloof-waardig was, bood het een solide basis van vertrouwen. Nu de lezer, wijzer geworden door de lectuur van Proust, Joyce en Kafka en meer nog misschien door de schade en schande van eigen ervaringen (waarvoor Sarraute Stalingrad en concentratiekampen als extreme voorbeelden noemt), de fantasieprodukten van schrijvers is gaan wantrouwen, en de schrijver argwaan tegen de lezer koestert vanwege diens gemakzuchtige neiging om in het leven zowel als in de literatuur ingewikkelde patronen snel te herleiden tot bekende, welomlijnde figuren (karakters, typen), wantrouwen lezer en schrijver niet alleen beide het romanpersonage maar bovendien ook elkaar in dat personage.'

Jacq Firmin Vogelaar over Nathalie Sarraute in Terugschrijven (De Bezige Bij, Amsterdam (1987; p.264)).

Voorplat: Gallimard.

Reeds klonk er gekraak, gekrijs en geschreeuw op

Onder de bok schoof ze met haar voet stukje bij beetje de bijlsteel naar voren. Dat glanzende, taaie essenhout, precies voor de hand geslepen. Je zal nog geen kruisje kunnen slaan. Het spijt me dat je je niet eens zal kunnen kruisen. Ik zal je ombrengen en daarna voor je bidden.

Ze wist hoe ze de Duitser ging doden, ze herinnerde zich het dorp in de blakende zon, de dronken Zuzák, alias het Kanon, en zijn wilde Josefine. Juist die middag kwam die naar buiten en riep: ‘Wat heb je nu weer gejat? Jezusmina! Vuile klootzak!’ Ze rende hem achterna en sloeg hem met de vuist tegen de grond; de boeren en knechten voor de herberg gierden van het lachen, het was een wonder dat ze niet over de grond rolden, het dorp had gratis circusvoorstelling.

Iemand riep: ‘Zuzáks vrouw heeft een bijl!’

Ze zwiepte met haar krachtige blote arm de bijl in de lucht, het scheen Krista dat de zwaai van het metalen blad bevroor, maar reeds klonk er gekraak, gekrijs en geschreeuw op.
Hij reutelde en kroop op zijn buik over de grond. Zij beukte nog een keer op hem in met de botte kant. Als met een hamer.
Zijn hoofd zakte opeens ongelooflijk diep omlaag. Hij rolde om, hij probeerde nog op te staan.
Ze sloeg een kruisje, hakte voor de derde maal, en dit maal het hardst op hem in.

Toen trokken ze haar armen naar achteren.

Het Moravische platteland was sinds onheuglijke tijden niet alleen vroom, nijver en schraperig, sinds mensenheugenis was het ook bokkengeil, plat en barbaars.

Ik wil hem geen pijn doen, ik wil hem alleen doden. Ik zal mijn uiterste best doen dat het me in een klap lukt. Zo doodden ze ook altijd hun beesten. Onverhoeds.


Uit: Koets naar Wenen (Kočár do Vídně (tien minuten gezocht naar al die accentkriebeltjes - en niet voor niets: de Tjechische titel is nu net een pakje vol strikken), vertaald uit het Tjechisch door Herbert van Lynden, Uitgeverij Wereldbibliotheek (2011;p.47/48)).

In Koets naar Wenen wordt het verschil tussen ‘goed’ en ‘fout’ radicaal genuanceerd. De novelle speelt in de laatste uren van de Tweede Wereldoorlog, terwijl Tsjecho-Slowakije wordt bevrijd heeft een boerin, Krista, opdracht gekregen om met paard en wagen twee Duitse soldaten naar het zuiden te rijden, naar Oostenrijk. Het boekje is ook een schoolvoorbeeld van economische plotopbouw en -afwikkeling trouwens - en van economisch schrijven in het algemeen. Het leest bijna als een snelcursus romanschrijven.

Then you mix it all together and that is more or less it

'Making movies, how do you do it? First: think up a good story. Two: how do you tell it?'

Wes Anderson geeft een cursus filmmaken:

My life is about telling stories.

'Can I get my snack?'
'You're eating it.'

En wat doet die mevrouw met die bontmuts lang over het eten van een banaan!

Over het belang van een goede openingszin - exercises de style (V)

H.J.A. Hofland begon zijn column in de NRC van afgelopen donderdag (p. 11) als volgt:

'Het zal begin jaren zestig geweest zijn dat ik in het archief van een omroep...'

J.L. Heldring begon diezelfde dag in diezelfde NRC (p. 16) met:

'Het moet een jaar of veertien geleden zijn geweest dat er in Vrij Nederland...'

Over de column van Jérôme Louis Heldring zou nog een hoop interessants op te merken zijn, maar eerlijk gezegd heb ik er vooral een beetje zzz, zzz, zzzware oogleden van gekregen.

Ik is een ander

Rond middernacht liepen we van Maarten en Suzanne naar huis. Het was koud. Hier en daar zag je mensen met opgetrokken schouders met elkaar staan praten. Op de hoek Plompetoren-gracht/Asch van Wijcks zag ik een donkerblauw boekje liggen. Het was een paspoort, een Amerikaans passport. Uit een achterzak gevallen? Ongezien toegeworpen vanuit een wolk? De hele nacht heb ik me liggen afvragen of het geinig zou zijn een maand als Amerikaan door het leven te gaan - misschien wel. Maar daar heb je natuurlijk geen paspoort voor nodig. Wat me wel dwarszit is dat ik zeker weet dat het Lot het document voor iemand anders had bestemd. Ik had het op de klinkers moeten laten liggen. Maar nu ik het eenmaal opgeraapt en mee naar huis genomen heb ga ik het zo maar even afgeven op het politiebureau - tenzij ik onderweg de vluchteling tegenkom die het paspoort harder nodig heeft dan de rechtmatige eigenaar ervan.