‘She is disrupting.’ - the social reckoning (2026)
service
Eerlijk duurt het allerlangst.
ziek
'Apotheek, kerk
van de wanhopigen,
met een kleine
god
in iedere pil:
vaak ben je
te duur,
de kostprijs
van een geneesmiddel
doet je heldere deuren dicht
en de armen
keren met toegeknepen mond
naar de donkere ziekenkamer terug,
dat er ooit
een dag mag komen
dat de apotheek gratis is,
dat je geen prijs
moet blijven zetten op de hoop,
en dat de overwinningen
van het leven,
van alle
menselijk
leven
op de oppermachtige dood,
jouw overwinningen mogen zijn.
Zo worden laurierblaadjes
krachtiger,
de sulfaten geuriger,
het methyleenblauw blauwer
en de vrede van de kinine zoeter.'
Pablo Neruda, Ode aan de Apotheek [Oda a la farmacia] (fragment), opgenomen in De lippen van de aarde, Honderd 'Oden', (2016;p.189-192), vertaald uit het Spaans door Bart Vonck.
vlees, vis, wild
Zelf eet ik biologisch (-dynamisch) vlees, wild, vis en eieren. Ook op 4 oktober, laten we niet sentimenteel doen. Maar ik vind de standpunten van Stichting Wakker Dier verhevener dan de mijne. En ik zie liever haar posters op treinstations dan die waarop smakeloze plastic schoenen, nihilistische vliegvakanties of giftige suikerdrankjes worden aangeprezen. Het liefst blijf ik in de openbare ruimte overigens totaal verschoond van commerciële en ideële prikkels.
Stickers op lantarenpalen: vind ik leuk. Posters achter ramen van woonhuizen en bedrijfjes: ook prima. Net als betogingen op pleinen en in straten. Maar communicatie middels ingekochte, officiële advertentieruimte: is me wat te berekenend, conformistisch ook.
Beeld: Wakker Dier.
alleseter
'De fruitvliegjes hangen om het fruit dat ik in Zeeland meekreeg en drijven in mijn glas wijn. Ik spuwde er net een in mijn hand en heb het gevoel dat er nog minstens een in mijn keel kriebelt.'
Mensje van Keulen, Alle dagen laat, Dagboek 1976 (2006;p.158-159)
En:
'Dronk net koffie en heb nog steeds het gevoel dat er een kattenvlo in een slok mee naar binnen is gegaan.'
Mensje van Keulen, Neerslag van een huwelijk, Dagboek 1977-1979 (2018;p.17)
En:
‘Hagelslag en keuteltjes: veel verschil tussen die twee is er niet.’
Mensje van Keulen, Moeder en pen, Dagboek 1979-1983 (2023;p.37)
Of:
‘Wat hebben ze me in hemelsnaam ingespoten of laten slikken? Vannacht had ik zo’n merkwaardig, koortsachtig gevoel alsof ik iets geweldigs op het spoor was. Het was of ik vlak boven de grond zweefde terwijl ik speurde naar waar het zich had verstopt.’
Mensje van Keulen, Moeder en pen, Dagboek 1979-1983 (2023;p.201)
De eerste drie dagboeken van Mensje van Keulen hebben mijn vooroordelen over ego literatuur (primitief, particulier, slaapverwekkend) niet weerlegd. Consumptie van deze documenten heb ik ervaren als tijdverspilling.
Op de radio vertelde Van Keulen dat jonge(re) vrouwen haar dagboeken graag lezen. Daar ben ik blij om. Maar het verwart me ook. Wat mij betreft tonen de autobiografische teksten van Van Keulen onder welke moedeloosmakend ongeëmancipeerde omstandigheden Mensje, mijn moeder (en vader) en hun generatiegenoten hun weg moesten zoeken. En dat wist ik al.
Met het verteren van drie van Mensje van Keulens dagboeken is mijn wereld eerder kleiner dan groter geworden.
Maar goed. Ik eet alles.
Of bijna alles. Bij Omgeslagen dagen (2026), het vierde deel van Van Keulens dagboeken, sla ik even over.
geweerd van amelisweerd
Pas op! Geen
toegang! Achter dit hek staan allemaal overal bomen waar je tegenaan kunt
lopen! Levens-gevaarlijk!
Let vooral ook op de ostentatieve manier waarop de ‘gevallen tak’ op het pad is gedrapeerd. Hahaha!
Je mag ook helemaal niks meer in dit land!
Nee, ja…
pardonnetjes… ik zal deze plotse, populistische toon terstond afleggen, en
wel terstond. Het is natuurlijk al erg genoeg dat, ten gevolge van als
gevolg van een opwarmende aarde, het ecosysteem, vrij letterlijk, instort. Ik
zeg: hoog tijd om een hek om de hele aardbol te plaatsen om zo de menselijke
soort totaal uit de natuur te kunnen weren. Preventie verdient de voorkeur boven herstel.
Foto: M.K. (Ikkeltje).
het instinct van een dier
‘Eén keer belde mijn vader op vanuit het psychiatrisch
ziekenhuis, en ik las aan de telefoon, die in de keuken naast het fornuis aan
de muur hing, fluisterend twee alinea’s aan hem voor, terwijl bij hem op de
achtergrond de gekken op pannen leken te slaan en gilden. Hij zei, wat een
ramp, dat kun je wel vergeten, en ik zei, bel me nooit meer op. Bel me geen
enkele keer meer op. Ik wist dat het schrijven van mij was. Ik begreep het met
het instinct van een dier – het was van mij. Ik wist ook dat het me kennelijk
van alles afscheidde, dat het me isoleerde. Maar ik was het eens met dit
isolement, en dat ben ik, met restricties, tot op de dag van vandaag.’
Judith Hermann, Kiezels (2024 [Wir hätten uns alles gesagt (2023)];p.107). Vertaald uit het Duits door Herman Vinckers.
En:
‘Then and there, I decided to abandon the pen. I told myself that I would release the leveret in a few weeks anyway. At worst, I would need to replace the bedroom carpet – a sacrifice that already seemed worth it for the sake of this charming creature. But to keep it penned up for even a moment longer felt unbearable. I knocked down the side of the pen, removed all evidence of it, and put the leveret’s box back on the floor, leaving open both the door into the rest of the house and the one leading into the garden. Its behaviour immediately changed. From that moment on, it never left droppings indoors.’
Chloe Dalton, Raising Hare (2024;p.38-39).
Später Ruhm, Late roem, Late Fame
Arthur Schnitzler, Late roem (2015 [2014];p.36-37). Später Ruhm werd vertaald uit het Duits door Elly Schippers.
Er bewegen rijtuigen, trekschuiten en stoomtrams door de wereld van ex-dichter Eduard Saxberger. Schnitzler schreef Late roem dan ook eind 19e eeuw. Het is een heerlijke, wrang-ironische tekst over een ambtenaar die meent dat hij late erkenning krijgt voor zijn decennia oude gedichten.
Vorige maand ging in de VS een filmadaptatie van Später
Ruhm in roulatie waarin de handeling van het 19e eeuwse Wenen is verplaatst naar hedendaags New York. Mocht Late Fame de NL’se bioscopen halen,
dan ga ik zeker kijken. Vanwege hoofdrolspeler Willem Dafoe, maar natuurlijk vooral
vanwege dankzij Schnitzler.
---
Beeld (filmposter): Magnolia Pictures.
code geel
Utrecht, donderdag 13 augustus 2026, 16.03 uur, 34 graden Celsius.
De badjuffrouw (bedrijfspolo, zonnepet) scant mijn zwembadpas zonder het eten van haar ijsje, een Solero, te hoeven onderbreken.
'Tjonge,' zeg ik terwijl ik het zweet van mijn voorhoofd wis, 'dat ziet er 's zomers uit: een badjuf met een ijsje!'
'Ja. Ik dacht. Een beetje reclame. Dat kan nooit kwaad.'
'Misschien koop ik er straks ook een bij je.'
'Nou. Dat moet dan. Een andere keer. Want dit was. De laatste.'
(onder)richting
Ilja Leonard Pfeijffer, De toekomst van de literatuur (2026;p.25-26).
Een mulischiaans standpunt in een vermakelijk, zwierig en stimulerend boekje, de neerslag van een voordracht, van krap zevenentwintig pagina’s netto over de taak van literatuurliefhebbers.
De typografie van Perfect Service is weer… perfect!
Beeld: de schitterende,
licht bewogen, ietwat wankel gekadreerde, enigszins onscherpe, doorschijnende foto bij dit
stukje heb ik zelf genomen en bewerkt. Wil je een uitvergrote, ingelijste
afdruk van deze plaat bestellen? Aarzel dan niet om me een mailtje te sturen!!!


