'De fruitvliegjes hangen om het fruit dat ik in Zeeland
meekreeg en drijven in mijn glas wijn. Ik spuwde er net een in mijn hand en heb
het gevoel dat er nog minstens een in mijn keel kriebelt.'
Mensje van Keulen, Alle
dagen laat, Dagboek 1976 (2006;p.158-159)
En:
'Dronk net koffie en heb nog steeds het gevoel dat er een
kattenvlo in een slok mee naar binnen is gegaan.'
Mensje van Keulen, Neerslag
van een huwelijk, Dagboek 1977-1979 (2018;p.17)
En:
‘Hagelslag en keuteltjes: veel verschil tussen die twee is
er niet.’
Mensje van Keulen, Moeder
en pen, Dagboek 1979-1983 (2023;p.37)
Of:
‘Wat hebben ze me in hemelsnaam ingespoten of laten slikken?
Vannacht had ik zo’n merkwaardig, koortsachtig gevoel alsof ik iets geweldigs
op het spoor was. Het was of ik vlak boven de grond zweefde terwijl ik speurde
naar waar het zich had verstopt.’
Mensje van Keulen, Moeder
en pen, Dagboek 1979-1983 (2023;p.201)
De eerste drie dagboeken van Mensje van Keulen hebben mijn vooroordelen
over ego literatuur (primitief, particulier, slaapverwekkend) niet weerlegd. Consumptie van deze documenten heb ik ervaren als tijdverspilling.
Op de radio vertelde Van Keulen dat jonge(re) vrouwen haar dagboeken graag lezen. Daar ben ik blij om. Maar het verwart me ook. Wat mij betreft tonen de autobiografische teksten van Van Keulen onder welke moedeloosmakend ongeëmancipeerde omstandigheden Mensje, mijn moeder (en vader) en hun generatiegenoten hun weg moesten zoeken. En dat wist ik al.
Met het verteren van drie van Mensje van Keulens dagboeken is mijn wereld eerder kleiner dan groter geworden.
Maar goed. Ik eet alles.
Of bijna alles. Bij Omgeslagen dagen (2026), het vierde deel van Van Keulens dagboeken, sla ik even over.