'Is this the end of the world?'*

Film: The End of Oak Street (2026).

Script & Regie: David Robert Mitchell.

Verhaal: nadat hun woonwijk, als gevolg van een, laten we zeggen, natuurkundige anomalie, vanuit 1982 in de prehistorie is beland, moet een gezin (moeder, vader, meisje, jongen) zien te overleven tussen hongerige dinosauriërs. Als dat maar goed gaat!

Cultuurfilosofische bespiegeling: In 1993 zag ik Steven Spielbergs Jurassic Park (1993). Inmiddels is Spielberg zelf een dinosaurus – zijn laatste film, Disclosure Day (2026), is het sneue product van een verkalkt genie. Geeft niks!

In ieder geval... Toen ik dik dertig jaar geleden de bios uit kwam deed ik of Jurassic Park (JP) me had verveeld. Uit snobisme, misschien. Omdat ik dacht dat ik al een beetje blasé hoorde te zijn. In werkelijkheid was ik ontregeld: JP was nep. Maar ook verrekte rete-enerverend! Ik snap begrijp wel dat er nog steeds JP-sequels worden gemaakt.

The End of Oak Street (TEOOS) is een JP-variatie én een erg geslaagde film. Bovenal is het een fraai tribuut aan de films uit Steven Spielbergs beste dagen, aan, zeg, kunstwerken als E.T. (1982)*. In TEOOS wemelt het dus van de BMX-fietsen, walkmans & cassettebandjes, gezellige dekbedovertrekken. Als Spielberg-eerbetoon bevat de film natuurlijk volwaardige kinderrollen en komen er meerdere schattige honden in voor. Let op de A Space Odyssee (1968) poster, op de vele doordachte shots en camera-instellingen, op de symfonische soundtrack.

Maar Mitchell imiteert Spiegelberg en zijn generatiegenoten niet alleen, in sommige opzichten overtreft, of corrigeert, hij hen zelfs. Zo is zijn cast veel diverser en geëmancipeerder dan die van mainstream films uit de jaren tachtig van de twintigste eeuw.

De moeder van het gezin waar TEOOS om draait, Denise, een schrijfster, ontpopt zich tot het sterkste, slimste en belangrijkste personage van de film. TEOOS is in zekere zin de verfilming van een boek van haar. Denise kan weliswaar schreeuwen als Wendy (Shelley Duvall) in Stanley Kubricks The Shining (1980), maar door de energie waarmee ze met een keukenmes in weet te hakken op een gigantische slang doet ze nog veel sterker denken aan Johny (Jack Nicholson), de geflipte schrijver die in diezelfde film (The Shining) een bijl grijpt om met manische kracht eerst een hoteldeur (‘Wendy? I’m home!’) en vervolgens een badkamerdeur in te slaan (‘Here’s Johny!’). Ik vind het een verademing: een film in commerciële jaren tachtig stijl waarin je een getrouwde vrouw voor zichzelf ziet opkomen.

Doordat de jurkjes en hemdjes waarin Denise tussen de dinosauriërs rent sexyer en minder praktisch ogen dan logisch zou zijn in dergelijke  situaties, kan de bioscoopbezoeker goed naar haar benen, heupen, borsten en billen kijken. Dat lijkt me dan weer wat minder vrouwvriendelijk. Maar misschien is het overdreven preuts om daar over te gaan lopen klagen… waarschijnlijk heeft de regisseur op een bepaalde manier juist geëmancipeerde bedoelingen met het tonen van vrouwelijke vormen!

De aaneenschakeling van enerverende scènes in TEOOS ervaar je als de spreekwoordelijke achtbaanrit. De film is heerlijk entertainment. Precies: een rollercoaster!... dat woord zocht ik! Het meest verrassend is de sequentie waarin vader Greg wordt opgegeten door een oerbeest. Hap, slik: weg Greg. Dat zagen we niet aankomen in een publieksfilm… Maar ja, hij (Greg) was best dom en bovendien alcoholist, dus aan hem is, was weinig verloren. Bovendien blijkt moeder Wendy, ik bedoel natuurlijk Denise, bovendien blijkt moeder Denise later in de film zo vindingrijk dat zij zelfs de natuurkunde te slim af is… en zo vader weer naar het gezin terughaalt. Knap werk! En gelukkig maar voor de kinderen Audrey en Brian – want voor hen en voor de 21ste eeuwse kijker is er uiteindelijk pas werkelijk sprake van een eind-goed-al-goed-einde als het kerngezin weer intact is. Hoera! Hoera! Hoera!

Wel, wel, welletjes… Ik heb me, al met al, dus, bij TEOOS nog een stuk beter vermaakt dan bij verantwoorde blockbusters als De Gaulle I & II en The Odyssey. Nee, dat is niet waar, ik heb me gewoon prima vermaakt.

O, ja… Misschien moet, mag, kun je de dinosaurussen in TEOOS opvatten als symbool voor de rampspoed die leden van een gezin, mensen, nader tot elkaar kan brengen. Wat een gezamenlijke safari aan bonding bewerkstelligt voor een jaarclub, of een survivalweekend voor de afdeling administratie van een middelgrote onderneming, betekent de confrontatie met losgeslagen dino’s voor dit gezin. Mijn persoonlijke conclusie: in 1982, of in de jaren tachtig van de vorige eeuw, liepen er weliswaar nog gevaarlijke dino’s in woonwijken rond, toch lijken die analoge tijden verre te verkiezen boven de onze.

Oordeel: Ik heb met volle teugen van TEOOS genoten. Wat een tempo! Wat een vaart! Wat een heerlijk begrijpelijke grapjes!* Wat een wendingen! Opgetogen liep ik na afloop van de vertoning bioscoop Rembrandt uit, de Oudegracht op. Jurassic Parc. E.T. Oak Street. Welk jaar was het ook alweer? En wat was het verdomme nog warm! Maar: wat een film! Tjonge! Waarom Proust lezen als je ook The End of Oak Street kunt kijken? Waarom op een romanproject zwoegen als je ook*…

Eindoordeel: vier gigantische pootafdrukken in een suburb-gazon. Oftewel vier opgegeten bibliothecaressen (4/5).

‘Waarom plaats je zo’n stukje pas als de film allang niet meer in de bioscopen draait?’

‘Omdat ik geen influencer ben.’

'Dwarse rakker!'

 ---

 *Noot. Beknopte toelichting op de titel van dit blogje ('Is this the end of the world?'): vraag van de dochter des belaagden huizes op het moment dat duidelijk wordt welk type shit the fan heeft geraakt.

*Noot 2. Een beetje zoals The Holdovers (2023) van Alexander Payne de waardige jaren zeventig stijl eerde, eert.

*Noot 3. ‘Opschaalbare humor’ noemde iemand van winkelketen Cool Blue woordspelingen voor het grote publiek eens.

*Noot 4. Het was de kankerhete zomer van 2026 en door die kankerhitte maakte ik een periode van intellectuele detente door. Ik hongerde alleen nog maar naar toegankelijke, commerciële kunst.

Plaatje 1 (M.K.): een poging tot het fotograferen, vanuit de trein, van een reclamebord van pretpark Dinoland te Zwolle.

Plaatje 2 (filmposter): internet.

nietig

‘Park Biljoen in Velp tijdens de herfst, het staat me onverwachts helder voor ogen.
    Regen in onze gezichten, zijn bril besloeg, bijna geen gesprekken.
    Elke dag hetzelfde rondje. Hij wandelde zijn problemen weg. En als niemand keek, stak hij even de armen in de lucht om heel hard ‘vrijheid’ te roepen.
    Achteraf denk ik dat dat zelfspot was.
    Geketend in een ambtenarenbestaan en een hypotheek op een rijtjeshuis, geen weg meer terug.'
[…] 
   'Hij zei dat herfstbladeren hielpen om het aardse bestaan te relativeren. We begonnen allemaal fris, maar waaiden uiteindelijk allemaal van de boom. Of zoiets.’*

Marcel van Roosmalen, Rondje Biljoen, een wandeling (2026;p.36-37).

En

'Beneden me begint Playa el Charcón (strand van de poel), waar ik nog nooit een baddoek heb zien liggen. Ik kijk naar de oceaan. Ik zou nu van alles kunnen opschrijven over de eeuwige beweging van het water en mijn eigen nietigheid, maar online heb ik al diverse varianten op dat cliché gelezen: ‘Op deze plek kun je voelen hoe weerloos de mens is tegenover de kracht van de natuur.’’

Vrouwkje Tuinman, Ons geheime eiland, een wandeling (2026;p.41).

Beeld (M.K.): telefoonfoto papieren uitgave Tuinman.

*Noot. Of zoals Adriaan van Roland Holst het formuleert in een strofe uit Zwerversliefde (Voorbij de wegen (1920)): 'Wij zijn maar als de blaren in de wind / ritselend langs de zoom van oude wouden, / en alles is onzeker, en hoe zouden / wij weten wat alleen de wind weet, kind - '

‘She is disrupting.’ - the social reckoning (2026)

Het is, met de kennis van nu, bijna niet meer voorstelbaar, maar vroeger waren er dus miljoenen volwassen mensen die voor hun inter-persoonlijke communicatie gebruik maakten van WhatsApp, Instagram, Meta/Facebook, LinkedIn, X/Twitter. Toen ze inzagen hoe schadelijk dat was voor zowel individuen als samenlevingen hielden ze er meteen mee op. Gelukkig maar!

Film: The Social Reckoning (2026).

Script & regie: Aaron Sorkin. Hij schreef eerder het script voor David Finchers The Social Network (2010).

Verhaal: Robert Redford achtige journalist vindt een medewerkster van Facebook/Meta die, uiteindelijk, bereid is de ontregelende algoritmen van Facebook/Meta toe te lichten. Openbaarmaking helpt geen flikker.

Hoofdrolspeelster Mikey Madison kan hier, als klokkenluidster Frances Haugen, minder tinten van haar talent etaleren dan in Sean Bakers Anora (2024) en biedt toch evengoed twee uur boeiend acteerwerk. Haar tegenspeler Jeremy Allen White doet het niet slecht in zijn overzichtelijke rol als integer, toegewijd journalist Jeff Horwitz.

Eindoordeel: Twee burner phones (2/5). The Social Reckoning is een mainstream film over een individu dat tegen de mainstream in zwemt. Het is natuurlijk prima om net zo lang op de big tech mensen te jagen tot we van ze af zijn. Maar kom op: kunnen filmmakers ook eens gaan inbeuken op de miljoenen opportunistische mongolen die gewoon doorgaan op hun ‘sociale’ media accounts? Ik kan niet wachten.

In de voorgaande alinea zou ik, bij deze, ergens ter hoogte van 'opportunistische mongolen' nog iets van 'met alle respect' willen toevoegen.

Over big tech gesproken... ik heb ook wel zin in een speelfilm die laat zien dat elektrische auto’s rijdende social media accounts zijn. Wie is griezeliger: de enge bedenker van een schadelijk product of de burger die, tegen beter weten in, volhardt in het nefaste gebruik ervan?

Titel van dit stukje (‘She is disrupting.’): dit voegt journalist Jeff Horwitz de mediaman van Facebook/Meta toe als antwoord op diens vraag waarom hun voormalige medewerkster toch klokkenluidster is geworden.

Beeld (filmposter): Sony pictures, internet.

Toegift/Herneming: lees ook (of niet) dit oude stukje over David Finchers The Social Network (2010).

service

Er is een pakketje zoekgeraakt. Kan gebeuren. Ik bel de klantenservice van het bedrijf waar ik af en toe een internetaankoop doe. Ik houd het bestelnummer bij de hand. Maar voordat ik dat mag voorlezen, wil de telefoniste eerst een paar dingen van me weten. Postcode? Huisnummer? Telefoon? Laatste drie cijfers van mijn betaalrekening? 'Ja, sorry dat ik dit allemaal moet vragen, hoor,' zegt ze, 'maar dat zijn we verplicht vanwege alle cybercriminaliteit.'
    'Dat begrijp ik volkomen,' antwoord ik. Zelf verrast door de schijnheilige warmte die ik in mijn stem heb gelegd schiet ik in de lach en voeg er dan snel aan toe: 'Maar dat zou ik natuurlijk ook zeggen als ik een oplichter was...'
    Nu heeft ze toch nog een hele hoop aanvullende vragen voor me.
    Eerlijk duurt het allerlangst.

ziek

'Apotheek, kerk

van de wanhopigen,

met een kleine

god

in iedere pil:

vaak ben je 

te duur,

de kostprijs

van een geneesmiddel

doet je heldere deuren dicht

en de armen

keren met toegeknepen mond

naar de donkere ziekenkamer terug,

dat er ooit 

een dag mag komen

dat de apotheek gratis is,

dat je geen prijs

moet blijven zetten op de hoop,

en dat de overwinningen

van het leven,

van alle

menselijk

leven

op de oppermachtige dood,

jouw overwinningen mogen zijn.

Zo worden laurierblaadjes

krachtiger,

de sulfaten geuriger,

het methyleenblauw blauwer

en de vrede van de kinine zoeter.'


Pablo Neruda, Ode aan de Apotheek [Oda a la farmacia] (fragment), opgenomen in De lippen van de aarde, Honderd 'Oden', (2016;p.189-192), vertaald uit het Spaans door Bart Vonck.

vlees, vis, wild

De Nederlandse Spoorwegen wilde de schattige, onschuldige poster van Wakker Dier (rechts) niet op haar stations ophangen.


De smoes die NS voor haar weigering aanvoerde is te stupide om te reproduceren. Gelukkig won Wakker Dier het kort geding dat de NS van gedachten deed veranderen.

Zelf eet ik biologisch (-dynamisch) vlees, wild, vis en eieren. Ook op 4 oktober, laten we niet sentimenteel doen. Maar ik vind de standpunten van Stichting Wakker Dier verhevener dan de mijne. En ik zie liever haar posters op treinstations dan die waarop smakeloze plastic schoenen, nihilistische vliegvakanties of giftige suikerdrankjes worden aangeprezen. Het liefst blijf ik in de openbare ruimte overigens totaal verschoond van commerciële en ideële prikkels.

Stickers op lantarenpalen: vind ik leuk. Posters achter ramen van woonhuizen en bedrijfjes: ook prima. Net als betogingen op pleinen en in straten. Maar communicatie middels ingekochte, officiële advertentieruimte: is me wat te berekenend, conformistisch ook.

Beeld: Wakker Dier.

alleseter

'De fruitvliegjes hangen om het fruit dat ik in Zeeland meekreeg en drijven in mijn glas wijn. Ik spuwde er net een in mijn hand en heb het gevoel dat er nog minstens een in mijn keel kriebelt.'

Mensje van Keulen, Alle dagen laat, Dagboek 1976 (2006;p.158-159)

En:

'Dronk net koffie en heb nog steeds het gevoel dat er een kattenvlo in een slok mee naar binnen is gegaan.'

Mensje van Keulen, Neerslag van een huwelijk, Dagboek 1977-1979 (2018;p.17)

En:

‘Hagelslag en keuteltjes: veel verschil tussen die twee is er niet.’

Mensje van Keulen, Moeder en pen, Dagboek 1979-1983 (2023;p.37)

Of:

‘Wat hebben ze me in hemelsnaam ingespoten of laten slikken? Vannacht had ik zo’n merkwaardig, koortsachtig gevoel alsof ik iets geweldigs op het spoor was. Het was of ik vlak boven de grond zweefde terwijl ik speurde naar waar het zich had verstopt.’

Mensje van Keulen, Moeder en pen, Dagboek 1979-1983 (2023;p.201)

De eerste drie dagboeken van Mensje van Keulen hebben mijn vooroordelen over ego literatuur (primitief, particulier, slaapverwekkend) niet weerlegd. Consumptie van deze documenten heb ik ervaren als tijdverspilling.

Op de radio vertelde Van Keulen dat jonge(re) vrouwen haar dagboeken graag lezen. Daar ben ik blij om. Maar het verwart me ook. Wat mij betreft tonen de autobiografische teksten van Van Keulen onder welke moedeloosmakend ongeëmancipeerde omstandigheden Mensje, mijn moeder (en vader) en hun generatiegenoten hun weg moesten zoeken. En dat wist ik al.

Met het verteren van drie van Mensje van Keulens dagboeken is mijn wereld eerder kleiner dan groter geworden. 

Maar goed. Ik eet alles.

Of bijna alles. Bij Omgeslagen dagen (2026), het vierde deel van Van Keulens dagboeken, sla ik even over.

geweerd van amelisweerd

Pas op! Geen toegang! Achter dit hek staan allemaal overal bomen waar je tegenaan kunt lopen! Levens-gevaarlijk!

Let vooral ook op de ostentatieve manier waarop de ‘gevallen tak’ op het pad is gedrapeerd. Hahaha!

Je mag ook helemaal niks meer in dit land!

Nee, ja… pardonnetjes… ik zal deze plotse, populistische toon terstond afleggen, en wel terstond. Het is natuurlijk al erg genoeg dat, ten gevolge van als gevolg van een opwarmende aarde, het ecosysteem, vrij letterlijk, instort. Ik zeg: hoog tijd om een hek om de hele aardbol te plaatsen om zo de menselijke soort totaal uit de natuur te kunnen weren. Preventie verdient de voorkeur boven herstel.

Foto: M.K. (Ikkeltje).

het instinct van een dier

‘Eén keer belde mijn vader op vanuit het psychiatrisch ziekenhuis, en ik las aan de telefoon, die in de keuken naast het fornuis aan de muur hing, fluisterend twee alinea’s aan hem voor, terwijl bij hem op de achtergrond de gekken op pannen leken te slaan en gilden. Hij zei, wat een ramp, dat kun je wel vergeten, en ik zei, bel me nooit meer op. Bel me geen enkele keer meer op. Ik wist dat het schrijven van mij was. Ik begreep het met het instinct van een dier – het was van mij. Ik wist ook dat het me kennelijk van alles afscheidde, dat het me isoleerde. Maar ik was het eens met dit isolement, en dat ben ik, met restricties, tot op de dag van vandaag.’

Judith Hermann, Kiezels (2024 [Wir hätten uns alles gesagt (2023)];p.107). Vertaald uit het Duits door Herman Vinckers.

En:

‘Then and there, I decided to abandon the pen. I told myself that I would release the leveret in a few weeks anyway. At worst, I would need to replace the bedroom carpet – a sacrifice that already seemed worth it for the sake of this charming creature. But to keep it penned up for even a moment longer felt unbearable. I knocked down the side of the pen, removed all evidence of it, and put the leveret’s box back on the floor, leaving open both the door into the rest of the house and the one leading into the garden. Its behaviour immediately changed. From that moment on, it never left droppings indoors.’

Chloe Dalton, Raising Hare (2024;p.38-39).

Später Ruhm, Late roem, Late Fame

‘Saxberger werd een geregeld bezoeker van het koffiehuis. Elke avond tussen zes en zeven kwam hij binnen en schoof hij aan bij zijn jonge vrienden, en al nam hij zelf niet zeer levendig aan het gesprek deel, hij luisterde toch met aandacht, zelfs met welgevallen. Hij voelde zich gewoon jonger worden. Er leek een nieuwe periode in zijn leven aangebroken te zijn en soms dacht hij met een zekere bevreemding aan de lege laatste jaren, die opeens heel ver achter hem leken te liggen. Al na een paar dagen voelde hij zich bij de jongelieden zo goed thuis alsof hij al maanden met hen omging. Ja, ze hadden gelijk – hij hoorde bij hen, hij begreep alles wat ze zeiden en stond eigenlijk nog op dezelfde manier in de wereld als zij: hij had iets geschapen en zocht de waardering die hem tot dusver was onthouden. Nu had hij die tenminste voor een deel gevonden, op een tijdstip waarop hij al bijna was vergeten dat hij die waard was. Nu viel daar niet meer aan te twijfelen en als hij, zoals af en toe gebeurde, in zijn werk zat te bladeren, stond hij met een zekere ontroering bij het ene of het andere gedicht stil en was hij verbaasd dat de wereld zo achteloos aan die verzen voorbij was gegaan.’

Arthur Schnitzler, Late roem (2015 [2014];p.36-37). Später Ruhm werd vertaald uit het Duits door Elly Schippers.

Er bewegen rijtuigen, trekschuiten en stoomtrams door de wereld van ex-dichter Eduard Saxberger. Schnitzler schreef Late roem dan ook eind 19e eeuw. Het is een heerlijke, wrang-ironische tekst over een ambtenaar die meent dat hij late erkenning krijgt voor zijn decennia oude gedichten.

Vorige maand ging in de VS een filmadaptatie van Später Ruhm in roulatie waarin de handeling van het 19e eeuwse Wenen is verplaatst naar hedendaags New York. Mocht Late Fame de NL’se bioscopen halen, dan ga ik zeker kijken. Vanwege hoofdrolspeler Willem Dafoe, maar natuurlijk vooral vanwege dankzij Schnitzler.

---

Beeld (filmposter): Magnolia Pictures.