ziek

'Apotheek, kerk

van de wanhopigen,

met een kleine

god

in iedere pil:

vaak ben je 

te duur,

de kostprijs

van een geneesmiddel

doet je heldere deuren dicht

en de armen

keren met toegeknepen mond

naar de donkere ziekenkamer terug,

dat er ooit 

een dag mag komen

dat de apotheek gratis is,

dat je geen prijs

moet blijven zetten op de hoop,

en dat de overwinningen

van het leven,

van alle

menselijk

leven

op de oppermachtige dood,

jouw overwinningen mogen zijn.

Zo worden laurierblaadjes

krachtiger,

de sulfaten geuriger,

het methyleenblauw blauwer

en de vrede van de kinine zoeter.'


Pablo Neruda, Ode aan de Apotheek [Oda a la farmacia] (fragment), opgenomen in De lippen van de aarde, Honderd 'Oden', (2016;p.189-192), vertaald uit het Spaans door Bart Vonck.

vlees, vis, wild

De Nederlandse Spoorwegen wilde de schattige, onschuldige poster van Wakker Dier (rechts) niet op haar stations ophangen.


De smoes die NS voor haar weigering aanvoerde is te stupide om te reproduceren. Gelukkig won Wakker Dier het kort geding dat de NS van gedachten deed veranderen.

Zelf eet ik biologisch (-dynamisch) vlees, wild, vis en eieren. Ook op 4 oktober, laten we niet sentimenteel doen. Maar ik vind de standpunten van Stichting Wakker Dier verhevener dan de mijne. En ik zie liever haar posters op treinstations dan die waarop smakeloze plastic schoenen, nihilistische vliegvakanties of giftige suikerdrankjes worden aangeprezen. Het liefst blijf ik in de openbare ruimte overigens totaal verschoond van commerciële en ideële prikkels.

Stickers op lantarenpalen: vind ik leuk. Posters achter ramen van woonhuizen en bedrijfjes: ook prima. Net als betogingen op pleinen en in straten. Maar communicatie middels ingekochte, officiële advertentieruimte: is me wat te berekenend, conformistisch ook.

Beeld: Wakker Dier.

alleseter

'De fruitvliegjes hangen om het fruit dat ik in Zeeland meekreeg en drijven in mijn glas wijn. Ik spuwde er net een in mijn hand en heb het gevoel dat er nog minstens een in mijn keel kriebelt.'

Mensje van Keulen, Alle dagen laat, Dagboek 1976 (2006;p.158-159)

En:

'Dronk net koffie en heb nog steeds het gevoel dat er een kattenvlo in een slok mee naar binnen is gegaan.'

Mensje van Keulen, Neerslag van een huwelijk, Dagboek 1977-1979 (2018;p.17)

En:

‘Hagelslag en keuteltjes: veel verschil tussen die twee is er niet.’

Mensje van Keulen, Moeder en pen, Dagboek 1979-1983 (2023;p.37)

Of:

‘Wat hebben ze me in hemelsnaam ingespoten of laten slikken? Vannacht had ik zo’n merkwaardig, koortsachtig gevoel alsof ik iets geweldigs op het spoor was. Het was of ik vlak boven de grond zweefde terwijl ik speurde naar waar het zich had verstopt.’

Mensje van Keulen, Moeder en pen, Dagboek 1979-1983 (2023;p.201)

De eerste drie dagboeken van Mensje van Keulen hebben mijn vooroordelen over ego literatuur (primitief, particulier, slaapverwekkend) niet weerlegd. Consumptie van deze documenten heb ik ervaren als tijdverspilling.

Op de radio vertelde Van Keulen dat jonge(re) vrouwen haar dagboeken graag lezen. Daar ben ik blij om. Maar het verwart me ook. Wat mij betreft tonen de autobiografische teksten van Van Keulen onder welke moedeloosmakend ongeëmancipeerde omstandigheden Mensje, mijn moeder (en vader) en hun generatiegenoten hun weg moesten zoeken. En dat wist ik al.

Met het verteren van drie van Mensje van Keulens dagboeken is mijn wereld eerder kleiner dan groter geworden. 

Maar goed. Ik eet alles.

Of bijna alles. Bij Omgeslagen dagen (2026), het vierde deel van Van Keulens dagboeken, sla ik even over.

geweerd van amelisweerd

Pas op! Geen toegang! Achter dit hek staan allemaal overal bomen waar je tegenaan kunt lopen! Levens-gevaarlijk!

Let vooral ook op de ostentatieve manier waarop de ‘gevallen tak’ op het pad is gedrapeerd. Hahaha!

Je mag ook helemaal niks meer in dit land!

Nee, ja… pardonnetjes… ik zal deze plotse, populistische toon terstond afleggen, en wel terstond. Het is natuurlijk al erg genoeg dat, ten gevolge van als gevolg van een opwarmende aarde, het ecosysteem, vrij letterlijk, instort. Ik zeg: hoog tijd om een hek om de hele aardbol te plaatsen om zo de menselijke soort totaal uit de natuur te kunnen weren. Preventie verdient de voorkeur boven herstel.

Foto: M.K. (Ikkeltje).

het instinct van een dier

‘Eén keer belde mijn vader op vanuit het psychiatrisch ziekenhuis, en ik las aan de telefoon, die in de keuken naast het fornuis aan de muur hing, fluisterend twee alinea’s aan hem voor, terwijl bij hem op de achtergrond de gekken op pannen leken te slaan en gilden. Hij zei, wat een ramp, dat kun je wel vergeten, en ik zei, bel me nooit meer op. Bel me geen enkele keer meer op. Ik wist dat het schrijven van mij was. Ik begreep het met het instinct van een dier – het was van mij. Ik wist ook dat het me kennelijk van alles afscheidde, dat het me isoleerde. Maar ik was het eens met dit isolement, en dat ben ik, met restricties, tot op de dag van vandaag.’

Judith Hermann, Kiezels (2024 [Wir hätten uns alles gesagt (2023)];p.107). Vertaald uit het Duits door Herman Vinckers.

En:

‘Then and there, I decided to abandon the pen. I told myself that I would release the leveret in a few weeks anyway. At worst, I would need to replace the bedroom carpet – a sacrifice that already seemed worth it for the sake of this charming creature. But to keep it penned up for even a moment longer felt unbearable. I knocked down the side of the pen, removed all evidence of it, and put the leveret’s box back on the floor, leaving open both the door into the rest of the house and the one leading into the garden. Its behaviour immediately changed. From that moment on, it never left droppings indoors.’

Chloe Dalton, Raising Hare (2024;p.38-39).

Später Ruhm, Late roem, Late Fame

‘Saxberger werd een geregeld bezoeker van het koffiehuis. Elke avond tussen zes en zeven kwam hij binnen en schoof hij aan bij zijn jonge vrienden, en al nam hij zelf niet zeer levendig aan het gesprek deel, hij luisterde toch met aandacht, zelfs met welgevallen. Hij voelde zich gewoon jonger worden. Er leek een nieuwe periode in zijn leven aangebroken te zijn en soms dacht hij met een zekere bevreemding aan de lege laatste jaren, die opeens heel ver achter hem leken te liggen. Al na een paar dagen voelde hij zich bij de jongelieden zo goed thuis alsof hij al maanden met hen omging. Ja, ze hadden gelijk – hij hoorde bij hen, hij begreep alles wat ze zeiden en stond eigenlijk nog op dezelfde manier in de wereld als zij: hij had iets geschapen en zocht de waardering die hem tot dusver was onthouden. Nu had hij die tenminste voor een deel gevonden, op een tijdstip waarop hij al bijna was vergeten dat hij die waard was. Nu viel daar niet meer aan te twijfelen en als hij, zoals af en toe gebeurde, in zijn werk zat te bladeren, stond hij met een zekere ontroering bij het ene of het andere gedicht stil en was hij verbaasd dat de wereld zo achteloos aan die verzen voorbij was gegaan.’

Arthur Schnitzler, Late roem (2015 [2014];p.36-37). Später Ruhm werd vertaald uit het Duits door Elly Schippers.

Er bewegen rijtuigen, trekschuiten en stoomtrams door de wereld van ex-dichter Eduard Saxberger. Schnitzler schreef Late roem dan ook eind 19e eeuw. Het is een heerlijke, wrang-ironische tekst over een ambtenaar die meent dat hij late erkenning krijgt voor zijn decennia oude gedichten.

Vorige maand ging in de VS een filmadaptatie van Später Ruhm in roulatie waarin de handeling van het 19e eeuwse Wenen is verplaatst naar hedendaags New York. Mocht Late Fame de NL’se bioscopen halen, dan ga ik zeker kijken. Vanwege hoofdrolspeler Willem Dafoe, maar natuurlijk vooral vanwege dankzij Schnitzler.

---

Beeld (filmposter): Magnolia Pictures.

code geel

Utrecht, donderdag 13 augustus 2026, 16.03 uur, 34 graden Celsius.

De badjuffrouw (bedrijfspolo, zonnepet) scant mijn zwembadpas zonder het eten van haar ijsje, een Solero, te hoeven onderbreken.

'Tjonge,' zeg ik terwijl ik het zweet van mijn voorhoofd wis, 'dat ziet er 's zomers uit: een badjuf met een ijsje!'

'Ja. Ik dacht. Een beetje reclame. Dat kan nooit kwaad.'

'Misschien koop ik er straks ook een bij je.'

'Nou. Dat moet dan. Een andere keer. Want dit was. De laatste.'

(onder)richting

‘Hoe denkt iemand het ooit voor elkaar te krijgen om een literair meesterwerk te schrijven, een roman of een gedicht dat beklijft, als hij of zij niet eens de concentratie kan opbrengen om het aanrecht schoon te maken zonder dat er kruimeltjes blijven liggen?’

Ilja Leonard Pfeijffer, De toekomst van de literatuur (2026;p.25-26).

Een mulischiaans standpunt in een vermakelijk, zwierig en stimulerend boekje, de neerslag van een voordracht, van krap zevenentwintig pagina’s netto over de taak van literatuurliefhebbers.

De typografie van Perfect Service is weer… perfect!

Beeld: de schitterende, licht bewogen, ietwat wankel gekadreerde, enigszins onscherpe, doorschijnende foto bij dit stukje heb ik zelf genomen en bewerkt. Wil je een uitvergrote, ingelijste afdruk van deze plaat bestellen? Aarzel dan niet om me een mailtje te sturen!!!

een schat

‘Aan de Côte d’Azur komen rijke mensen met juwelen. Die verliezen ze bij het zwemmen. Daarom gaat Thomas dagelijks met zijn snorkeltje de Middellandse Zee in op zoek naar goud en parels. Soms komt hij als een blije ekster uit het water. De buit schenkt hij aan Joosje of aan een van zijn dochters. Zij nemen het goud blij in ontvangst, maar weten bijna zeker dat hij de sieraden bij een juwelier gekocht heeft.’

Youp van ’t Hek, Vertrokken vrienden (2026;p.51)

Nabokoviaanse humor. Hoewel. Bij Nabokov zou de held/schurk zijn gezinsleden laten denken dat hij de opgedoken sieraden ergens heeft gekocht, terwijl hij die in werkelijkheid na afloop van een goocheloptreden op een copieus buitenverblijf met eigenhandige vingervlugheid uit de kluis van zijn opdrachtgevers heeft geroofd*. Nog grappiger wordt het als de echtgenote van 'Thomas' doorziet dat hij gestolen goed uitdeelt – en hem aangeeft, niet uit rechtschapenheid, maar omdat ze haar echtgenoot zat is en al langer naar een manier zoekt om van hem af te komen. Toch eindigt ook zij, de echtgenote, schraler dan ze begon, want een vrouw die haar eigen man erbij lapt, daar willen haar dochters niks meer mee te maken hebben. Eind slecht, al slecht.

*Noot: Of misschien wist hij, na een pianorecital te hebben gegeven, het draaislot te openen dankzij zijn fabuleuze, hypergevoelige gehoor. Zie het gedateerde, onderhoudende Tuner(2025).

code rood

Utrecht, vrijdagmiddag, 26 juni 2026, 15.15 uur, 37 graden Celsius. Ik sta in de brandende zon gelezen kranten en tijdschriften in de ondergrondse papiercontainer te deponeren als een vader en zijn dochtertje voorbijfietsen. Hij op een kloek herenrijwiel, zij op een piepklein kinderfietsje. Het meisje roept: ‘Ik moet een ijsje!’

‘Ik moet, ik moet, ik moet,’ zegt haar vader.

‘Ja, ik MOET een ijsje!’

‘En anders?’

‘Anders krijg ik een KINDERBEROERTE!’