ziek

'Apotheek, kerk

van de wanhopigen,

met een kleine

god

in iedere pil:

vaak ben je 

te duur,

de kostprijs

van een geneesmiddel

doet je heldere deuren dicht

en de armen

keren met toegeknepen mond

naar de donkere ziekenkamer terug,

dat er ooit 

een dag mag komen

dat de apotheek gratis is,

dat je geen prijs

moet blijven zetten op de hoop,

en dat de overwinningen

van het leven,

van alle

menselijk

leven

op de oppermachtige dood,

jouw overwinningen mogen zijn.

Zo worden laurierblaadjes

krachtiger,

de sulfaten geuriger,

het methyleenblauw blauwer

en de vrede van de kinine zoeter.'


Pablo Neruda, Ode aan de Apotheek [Oda a la farmacia] (fragment), opgenomen in De lippen van de aarde, Honderd 'Oden', (2016;p.189-192), vertaald uit het Spaans door Bart Vonck.

vlees, vis, wild

De Nederlandse Spoorwegen wilde de schattige, onschuldige poster van Wakker Dier (rechts) niet op haar stations ophangen.


De smoes die NS voor haar weigering aanvoerde is te stupide om te reproduceren. Gelukkig won Wakker Dier het kort geding dat de NS van gedachten deed veranderen.

Zelf eet ik biologisch (-dynamisch) vlees, wild, vis en eieren. Ook op 4 oktober, laten we niet sentimenteel doen. Maar ik vind de standpunten van Stichting Wakker Dier verhevener dan de mijne. En ik zie liever haar posters op treinstations dan die waarop smakeloze plastic schoenen, nihilistische vliegvakanties of giftige suikerdrankjes worden aangeprezen. Het liefst blijf ik in de openbare ruimte overigens totaal verschoond van commerciële en ideële prikkels.

Stickers op lantarenpalen: vind ik leuk. Posters achter ramen van woonhuizen en bedrijfjes: ook prima. Net als betogingen op pleinen en in straten. Maar communicatie middels ingekochte, officiële advertentieruimte: is me wat te berekenend, conformistisch ook.

Beeld: Wakker Dier.

alleseter

'De fruitvliegjes hangen om het fruit dat ik in Zeeland meekreeg en drijven in mijn glas wijn. Ik spuwde er net een in mijn hand en heb het gevoel dat er nog minstens een in mijn keel kriebelt.'

Mensje van Keulen, Alle dagen laat, Dagboek 1976 (2006;p.158-159)

En:

'Dronk net koffie en heb nog steeds het gevoel dat er een kattenvlo in een slok mee naar binnen is gegaan.'

Mensje van Keulen, Neerslag van een huwelijk, Dagboek 1977-1979 (2018;p.17)

En:

‘Hagelslag en keuteltjes: veel verschil tussen die twee is er niet.’

Mensje van Keulen, Moeder en pen, Dagboek 1979-1983 (2023;p.37)

Of:

‘Wat hebben ze me in hemelsnaam ingespoten of laten slikken? Vannacht had ik zo’n merkwaardig, koortsachtig gevoel alsof ik iets geweldigs op het spoor was. Het was of ik vlak boven de grond zweefde terwijl ik speurde naar waar het zich had verstopt.’

Mensje van Keulen, Moeder en pen, Dagboek 1979-1983 (2023;p.201)

De eerste drie dagboeken van Mensje van Keulen hebben mijn vooroordelen over ego literatuur (primitief, particulier, slaapverwekkend) niet weerlegd. Consumptie van deze documenten heb ik ervaren als tijdverspilling.

Op de radio vertelde Van Keulen dat jonge(re) vrouwen haar dagboeken graag lezen. Daar ben ik blij om. Maar het verwart me ook. Wat mij betreft tonen de autobiografische teksten van Van Keulen onder welke moedeloosmakend ongeëmancipeerde omstandigheden Mensje, mijn moeder (en vader) en hun generatiegenoten hun weg moesten zoeken. En dat wist ik al.

Met het verteren van drie van Mensje van Keulens dagboeken is mijn wereld eerder kleiner dan groter geworden. 

Maar goed. Ik eet alles.

Of bijna alles. Bij Omgeslagen dagen (2026), het vierde deel van Van Keulens dagboeken, sla ik even over.

geweerd van amelisweerd

Pas op! Geen toegang! Achter dit hek staan allemaal overal bomen waar je tegenaan kunt lopen! Levens-gevaarlijk!

Let vooral ook op de ostentatieve manier waarop de ‘gevallen tak’ op het pad is gedrapeerd. Hahaha!

Je mag ook helemaal niks meer in dit land!

Nee, ja… pardonnetjes… ik zal deze plotse, populistische toon terstond afleggen, en wel terstond. Het is natuurlijk al erg genoeg dat, ten gevolge van als gevolg van een opwarmende aarde, het ecosysteem, vrij letterlijk, instort. Ik zeg: hoog tijd om een hek om de hele aardbol te plaatsen om zo de menselijke soort totaal uit de natuur te kunnen weren. Preventie verdient de voorkeur boven herstel.

Foto: M.K. (Ikkeltje).

het instinct van een dier

‘Eén keer belde mijn vader op vanuit het psychiatrisch ziekenhuis, en ik las aan de telefoon, die in de keuken naast het fornuis aan de muur hing, fluisterend twee alinea’s aan hem voor, terwijl bij hem op de achtergrond de gekken op pannen leken te slaan en gilden. Hij zei, wat een ramp, dat kun je wel vergeten, en ik zei, bel me nooit meer op. Bel me geen enkele keer meer op. Ik wist dat het schrijven van mij was. Ik begreep het met het instinct van een dier – het was van mij. Ik wist ook dat het me kennelijk van alles afscheidde, dat het me isoleerde. Maar ik was het eens met dit isolement, en dat ben ik, met restricties, tot op de dag van vandaag.’

Judith Hermann, Kiezels (2024 [Wir hätten uns alles gesagt (2023)];p.107). Vertaald uit het Duits door Herman Vinckers.

En:

‘Then and there, I decided to abandon the pen. I told myself that I would release the leveret in a few weeks anyway. At worst, I would need to replace the bedroom carpet – a sacrifice that already seemed worth it for the sake of this charming creature. But to keep it penned up for even a moment longer felt unbearable. I knocked down the side of the pen, removed all evidence of it, and put the leveret’s box back on the floor, leaving open both the door into the rest of the house and the one leading into the garden. Its behaviour immediately changed. From that moment on, it never left droppings indoors.’

Chloe Dalton, Raising Hare (2024;p.38-39).

Später Ruhm, Late roem, Late Fame

‘Saxberger werd een geregeld bezoeker van het koffiehuis. Elke avond tussen zes en zeven kwam hij binnen en schoof hij aan bij zijn jonge vrienden, en al nam hij zelf niet zeer levendig aan het gesprek deel, hij luisterde toch met aandacht, zelfs met welgevallen. Hij voelde zich gewoon jonger worden. Er leek een nieuwe periode in zijn leven aangebroken te zijn en soms dacht hij met een zekere bevreemding aan de lege laatste jaren, die opeens heel ver achter hem leken te liggen. Al na een paar dagen voelde hij zich bij de jongelieden zo goed thuis alsof hij al maanden met hen omging. Ja, ze hadden gelijk – hij hoorde bij hen, hij begreep alles wat ze zeiden en stond eigenlijk nog op dezelfde manier in de wereld als zij: hij had iets geschapen en zocht de waardering die hem tot dusver was onthouden. Nu had hij die tenminste voor een deel gevonden, op een tijdstip waarop hij al bijna was vergeten dat hij die waard was. Nu viel daar niet meer aan te twijfelen en als hij, zoals af en toe gebeurde, in zijn werk zat te bladeren, stond hij met een zekere ontroering bij het ene of het andere gedicht stil en was hij verbaasd dat de wereld zo achteloos aan die verzen voorbij was gegaan.’

Arthur Schnitzler, Late roem (2015 [2014];p.36-37). Später Ruhm werd vertaald uit het Duits door Elly Schippers.

Er bewegen rijtuigen, trekschuiten en stoomtrams door de wereld van ex-dichter Eduard Saxberger. Schnitzler schreef Late roem dan ook eind 19e eeuw. Het is een heerlijke, wrang-ironische tekst over een ambtenaar die meent dat hij late erkenning krijgt voor zijn decennia oude gedichten.

Vorige maand ging in de VS een filmadaptatie van Später Ruhm in roulatie waarin de handeling van het 19e eeuwse Wenen is verplaatst naar hedendaags New York. Mocht Late Fame de NL’se bioscopen halen, dan ga ik zeker kijken. Vanwege hoofdrolspeler Willem Dafoe, maar natuurlijk vooral vanwege dankzij Schnitzler.

---

Beeld (filmposter): Magnolia Pictures.

code geel

Utrecht, donderdag 13 augustus 2026, 16.03 uur, 34 graden Celsius.

De badjuffrouw (bedrijfspolo, zonnepet) scant mijn zwembadpas zonder het eten van haar ijsje, een Solero, te hoeven onderbreken.

'Tjonge,' zeg ik terwijl ik het zweet van mijn voorhoofd wis, 'dat ziet er 's zomers uit: een badjuf met een ijsje!'

'Ja. Ik dacht. Een beetje reclame. Dat kan nooit kwaad.'

'Misschien koop ik er straks ook een bij je.'

'Nou. Dat moet dan. Een andere keer. Want dit was. De laatste.'

(onder)richting

‘Hoe denkt iemand het ooit voor elkaar te krijgen om een literair meesterwerk te schrijven, een roman of een gedicht dat beklijft, als hij of zij niet eens de concentratie kan opbrengen om het aanrecht schoon te maken zonder dat er kruimeltjes blijven liggen?’

Ilja Leonard Pfeijffer, De toekomst van de literatuur (2026;p.25-26).

Een mulischiaans standpunt in een vermakelijk, zwierig en stimulerend boekje, de neerslag van een voordracht, van krap zevenentwintig pagina’s netto over de taak van literatuurliefhebbers.

De typografie van Perfect Service is weer… perfect!

Beeld: de schitterende, licht bewogen, ietwat wankel gekadreerde, enigszins onscherpe, doorschijnende foto bij dit stukje heb ik zelf genomen en bewerkt. Wil je een uitvergrote, ingelijste afdruk van deze plaat bestellen? Aarzel dan niet om me een mailtje te sturen!!!

een schat

‘Aan de Côte d’Azur komen rijke mensen met juwelen. Die verliezen ze bij het zwemmen. Daarom gaat Thomas dagelijks met zijn snorkeltje de Middellandse Zee in op zoek naar goud en parels. Soms komt hij als een blije ekster uit het water. De buit schenkt hij aan Joosje of aan een van zijn dochters. Zij nemen het goud blij in ontvangst, maar weten bijna zeker dat hij de sieraden bij een juwelier gekocht heeft.’

Youp van ’t Hek, Vertrokken vrienden (2026;p.51)

Nabokoviaanse humor. Hoewel. Bij Nabokov zou de held/schurk zijn gezinsleden laten denken dat hij de opgedoken sieraden ergens heeft gekocht, terwijl hij die in werkelijkheid na afloop van een goocheloptreden op een copieus buitenverblijf met eigenhandige vingervlugheid uit de kluis van zijn opdrachtgevers heeft geroofd*. Nog grappiger wordt het als de echtgenote van 'Thomas' doorziet dat hij gestolen goed uitdeelt – en hem aangeeft, niet uit rechtschapenheid, maar omdat ze haar echtgenoot zat is en al langer naar een manier zoekt om van hem af te komen. Toch eindigt ook zij, de echtgenote, schraler dan ze begon, want een vrouw die haar eigen man erbij lapt, daar willen haar dochters niks meer mee te maken hebben. Eind slecht, al slecht.

*Noot: Of misschien wist hij, na een pianorecital te hebben gegeven, het draaislot te openen dankzij zijn fabuleuze, hypergevoelige gehoor. Zie het gedateerde, onderhoudende Tuner(2025).

code rood

Utrecht, vrijdagmiddag, 26 juni 2026, 15.15 uur, 37 graden Celsius. Ik sta in de brandende zon gelezen kranten en tijdschriften in de ondergrondse papiercontainer te deponeren als een vader en zijn dochtertje voorbijfietsen. Hij op een kloek herenrijwiel, zij op een piepklein kinderfietsje. Het meisje roept: ‘Ik moet een ijsje!’

‘Ik moet, ik moet, ik moet,’ zegt haar vader.

‘Ja, ik MOET een ijsje!’

‘En anders?’

‘Anders krijg ik een KINDERBEROERTE!’

moederdag

Film: Father Mother Sister Brother (2025).

Script & regie: Jim Jarmusch.

Jim Jarmusch' reputatie is goed. Zijn films zijn minder. Eigenlijk heb ik nog nooit een echt goeie film van hem gezien.

Coffee and Cigarettes (2003) was geinig, Ghost Dog: The Way of the Samurai (1999) was medium tof. Broken Flowers (2005) een boomerfilm avant la lettre.

De allereerste film die ik van hem zag, Night on Earth (1991), vond ik ronduit slaapverwekkend, maar dat was bijna vijfendertig jaar geleden, dus misschien verdient die een herkansing voor ik er een oordeel over geef.

Jarmusch' films, ik heb er inmiddels een stuk of zeven gezien, zijn tam, statisch en traag. Dat heeft niets te maken met bodycount en ander spektakel, meer met zijn materiaal, dat te weinig substantie heeft in verhouding tot zijn verteltempo. En met een soort belegenheid, vooral in Paterson (2016) en Down by Law (1986).

Anyways. Aangezien ik op vrijdag al met mijn moeder uit eten was geweest, ging ik op zondag in mijn eentje naar de nieuwe Jarmusch. Waarom? Omdat ik hardleers ben. En vergevingsgezind.

Drie families, drie verhalen, drie keer flauwe flauwekul. Wat FMSB wel overtuigend laat zien is dat je van drie losse vertellingen probleemloos een eenheid kan maken. Jarmusch herneemt beelden (skaters, Rolexen), handelingen (autorijden, samen zitten om te eten of te drinken) en uitspraken (klaar is Kees) en varieert erop - zulke echo's volstaan als ordenend principe, de som der drie delen van FMSB wordt overtroffen door het geheel.

De zussen uit het tweede verhaal van FMSB doen lacherig over de boeken die hun moeder schrijft. Des te pijnlijker dat zij zelf personages zijn in een matige film. Jarmusch' script is de grootste zwakte van FMSB. De verhaalstof is oninteressant, de sluimerende conflicten zijn cliché, de humor is oubollig en veel dialogen zijn vlak, onhandig en uitleggerig.

Wat zonde van die prachtige acteurs! Vicky Krieps, Adam Driver, Charlotte Rampling, Cate Blanchett. Wat jammer van het prima camerawerk en de dito montage.

O, ja: in de film vertelt dochter Lilith (Vicky Krieps) haar moeder een grappige grap, een mop, die ik bij thuiskomst meteen doorvertelde aan mijn vriendin en die haar deed schaterlachen. Pure winst. Dus wat mijzelf betreft was die gang naar het filmhuis gerechtvaardigd.

Mijn gedachten gaan wel uit naar al die arme kinderen die hun moeder een plezier dachten te doen door haar mee te nemen naar Jarmusch' jongste.

Eindoordeel: Mwa… Twee officieuze Uberchauffeurpetten (2/5). Of twee doosjes levensmiddelen (2/5). Of twee diepe zuchten in een leeg appartement (2/5).

land, landbouw, landbouwgif

‘If you ruled any modern industrial state absolutely, what would you abolish?’

‘I would abolish trucks and transistors, I would outlaw the diabolical roar of motorcycles, I would wring the neck of soft music in public places. I would banish the bidet from hotel bathrooms so as to make more room for a longer bathtub. I would forbid farmers the use of insecticides and allow them to mow their meadows only once a year, in late August when everyone has safely pupated.’

De vraag kwam, op 8 september 1969, van James Mossman (BBC-2). Het antwoord van Vladimir Nabokov. Strong Opinions (1990 [1973];p.150).

De detoxificatie van de wereld heeft de afgelopen zestig jaar geen hoge vlucht genomen.

Maar gelukkig heeft het individu anno 2026 een handelingsperspectiefje. Je kunt gewoon biologisch geteelde gewassen eten. En die koop je dan niet bij de supermarkt, want wat zouden we het leven van het anonieme aandeelhouderskapitalisme langer rekken, maar gewoon bij kleinere ecologische winkels en op biologische boerenmarkten.

Weg met het agrarisch-industriële complex!

Hou het klein.

Maak het klein.

Krijg ze klein.

Dank u wel.

natuur, cultuur

Met trots (plaatsvervangend, gepast) tip ik: Groen erfgoed in de stad, onder redactie van Natascha Lensvelt (mijn verloofde, full disclosure), verschenen bij NAI010 uitgevers.

Ontwerp voorplat: Koehorst in 't Veld.

Tirade 500

De huidige Tirade redactie viert de verschijning van het vijfhonderdste nummer van het literaire tijdschrift met een Tirade vol bijdragen van nieuwe schrijftalenten en oud-Tirade redacteurs. Ik val in de laatste categorie en schreef voor het jubileumnummer een verhaal(tje): Pionieren.

Tirade 500 is verschenen bij het zelfstandige Uitgeverij van Oorschot.

2025 – de nieuwe Knol











‘Woont u hier?’

‘Nee, hoor… dit is mijn werkruimte.’

‘?’

‘Ik werk aan een boek.’

‘Aha! Vandaar al dat papier!’

‘…’

‘En bent u al ver?’

‘Het vordert.’

‘O, gelukkig! Nou, succes ermee! Ik hoop dat veel mensen uw boek gaan lezen! U zit in ieder geval goed hier! Fijne dag verder!’

‘Veel dank. Fijne wandeling.’

---

De nieuwe Knol – vort, vort, vorderen

Soundtrack: No Time 2 Waste/I've Gotta Move With Haste (T-spoon).

Foto: M.K.

gremlins

Een paar flarden, meer kende ik niet van Gremlins (1984). Een lacune. Gelukkig belegde het afgetrapte Rembrandt aan de Oudegracht een vertoning op groot doek. Zaal 2, rij 9.

Film: Gremlins (1984).

Genre: horrorkomedie. En dan binnen dat genre het sub-genre van de niet enge, on-grappige horrorkomedie.

Regie: Joe Dante. Dante, mooie naam voor iemand in de horror-business.

Verhaal: lief diertje krijgt kwaadaardige nakomelingen die op kerstavond een dorp terroriseren.

Brutaal: Gremlins knipoogt middels een kleine keukentelevisie naar Robert Capa’s, nee Frank Capra’s It's a Wonderful Life (1946). Ambieerde Gremlins het om die klassieker op te volgen als kerstfilm der kerstfilms? Go f*** yourself!

Eindoordeel: leeg en lawaaiig. Twee door de keukenmachine vermalen Gremlins (2/5). Gelukkig duurt Gremlins een uur korter dan Wim Wender’s pretentieuze en sentimentele Paris, Texas (1984) dat dit jaar ook z’n veertigste verjaardag viert en waarvan eigenlijk alleen het camerawerk van Robby Müller om over naar huis te schrijven is (bij deze).

Overigens ben ik van mening dat bioscopen hun medewerkers niet tot het dragen van bedrijfskleding mogen verplichten. En dat alle bedrijven hun zelfscankassa’s en bestelmonitoren moeten afvoeren. Wat is er mis met intermenselijke handel?

the angry light of ambition

‘Survival does not depend on the exorbitance of art or fashion, on the extravagance of erotic fetish or the copiousness of carnival. But we are too greedy to settle for survival.’

Becca Rothfeld, All Things Are Too small, Essays in Praise of Excess (2024;p.217)

En:

‘Aesthetic culture as a whole would improve if audiences had the time and the education to cultivate their tastes.’ (Ibid. p. 9)

Haar referentiekader – Flaubert, Proust, Austen, Melville, Rilke, Johan Huizinga, Barthes, Bataille, Bergman, Rohmer, Chandler, Cronenberg – is wat belegen (geen wonder dat de bejaarde James Wood en de hoogbejaarde Cynthia Ozick een blurb voor het achterplat wilden leveren…), haar essays zijn conventioneel van vorm, haar progressieve ideeën zijn, in Europese ogen, tamelijk conservatief en ze waagt zich herhaaldelijk aan thema’s (ont-spullen, mindfulness, tv-series, Sally Rooney) die eigenlijk een gewichtsklasse te laag voor haar zijn, toch verveelt Becca Rothfeld geen minuut met de stukken die ze heeft gebundeld in All things are too small.

Ik heb althans erg genoten van haar welluidende, beheerste zinnen, van haar sarcasme – van haar gevoel voor humor tout court - en van haar apodictische energie. Het lijkt misschien wat paradoxaal om op te merken over het werk van een tamelijk agressieve auteur, maar al met al vind ik All things are too small vooral ontwapenend. Dat komt, denk ik, doordat Rothfeld af en toe iets over haar eigen leven vertelt – bovendien blijkt er in het laatste essay van de bundel een warmbloedige romantica in de harde, verstandelijk onderlegde critica te schuilen.

All things are too small is een revitaliserend pleidooi voor overgave, hechting, maximalisme en autonomie. Wie kan daar nou tegen zijn?

We want more! We want more!

Dankzij Rothfelds uitzinnige aanstekelijke enthousiasme over de romans van Norman Rush (1933) zal ik die niet lang ongelezen laten. Zijn debuut, de verhalenbundel Whites (1986), komt via boekwinkeltjes alvast mijn kant op.

Van de gebonden editie van All things are too small bestaat zowel een Amerikaanse als een Britse variant – ook hier geldt: hoe meer, hoe beter. De duurdere, Amerikaanse is veel fraaier dan de modieuze, decoratieve Europese uitvoering.

Willen jullie meer of minder Rothfeld?

‘Wacht effe… dus jij verkiest een stofomslag met een schilderij van Hieronymus Bosch boven een modern, abstract voorplat?’

‘Klopt.’

‘Dan heb je zelf een belegen referentiekader!’

‘Misschien is dat hele lezen inmiddels hopeloos belegen.’

‘Dat lijkt me niet… Zelf lees ik bijvoorbeeld bij voorkeur nadat ik net uit een vliegtuig ben gesprongen en bungelend aan mijn parachute door de lucht zweef.’

‘Ja? Ik lees altijd ’t liefst terwijl ik over de Afrikaanse savanne struin en de wilde dieren met trapbewegingen op afstand houd.’

‘Lezen is een avontuur!’

---

De titel van dit stukje is gelicht uit een zin in Rothfelds stuk over Sally Rooney: ‘I like Rooney when she gloats and strives, when she is limned with the angry light of ambition.’ (Ibid. p.229). Moet je horen wie  ’t zegt! Look who’s talking!

Afbeelding: van ’t internet geplukt.

Soundtrack: MORE, MORE, MORE.

kat, vlinder, haan

‘Buiten brak een laagstaand oktoberzonnetje door, dat recht in de kamer scheen. Marike ving het in haar spiegel, waarvan ze de steel telkens een beetje draaide, zodat er een lichtvlek door de kamer kwam te dansen. Heel even betreurde Albert het dat zij geen kat bezat om erachteraan te springen en te proberen het rondvlinderende stukje weerkaatste zon met zijn poot tegen het behang te pletten. Het ontbreken van een kat werd goedgemaakt door het ontijdige kraaien van de haan in de achtertuin van de buren.’

A.F. Th. van der Heijden, Kastanje a/d Zee (De Tandeloze Tijd 7) (2024[2016];p.214)

De Tandeloze Tijd doet inmiddels denken aan dat ladekastje van Tejo Remy, You Can't Lay Down Your Memory (1991), waarbij de bezweringen van Van der Heijden de riem vormen die de boel bij elkaar moet houden.

Doet er niet toe. Van der Heijden lees je niet om zijn evenwichtige composities, en trouwens ook niet om de filosofietjes van zijn personages, Van der Heijden lees je om te genieten van de zintuiglijkheid van zijn proza, vooral zijn stofuitdrukking is fabuleus.

Het summum van Kastanje a/d Zee, een prachtige, dubbele perspectiefwisseling, vind je in het laatste hoofdstuk van de roman. Het personage Marike de Swart verandert hier, in de laatste paragraaf, van object in subject. Bovendien speelt zien, en dit in een tekst van een uiterst visueel ingestelde auteur, plotseling een ondergeschikte rol.* Doordat Marike’s minnaars, Albert en Hans, voor haar deur, buiten haar zicht, met elkaar in gevecht raken, moet zij zich een voorstelling van hun schermutselingen maken middels de geluiden die ze produceren en veroorzaken: ‘Nu hoorde Marike het gebonk en geroffel van een zak aardappelen die van een kale houten trap af roetsjte, begeleid door een langgerekte pijnkreet.’ (Ibid. p.227).

Het is een soort mirakel, dat schrijverschap van A. F. Th. van der Heijden.

Ondanks echte teleurstellingen, zoals De helleveeg (DTT, deel 5), laat iedere serieuze lezer van boven de veertig vijftig alles uit z’n poten vallen zodra er een nieuw deel van De Tandeloze Tijd, of van Homo Duplex, verschijnt. Dus of de heer Van der Heijden een beetje kan voortmaken met al die delen die nog in voorbereiding heten te zijn die we nog tegoed hebben. Heel graag.

*Noot

Kenners zien overeenkomsten met passages in Het Schervengericht (2007) en in Vallende ouders (De Tandeloze Tijd 1) (1983).

Afbeelding: Wikipedia.

22 november 2023

uithollen

'Betaalbare huisvesting moet niet alleen beschikbaar zijn voor mensen met een cruciaal beroep, zoals leraren, politieagenten en verpleegkundigen, maar ook voor kritische denkers, schrijvers, activisten, krakers, muzikanten en kunstenaars, die wat mij betreft ook cruciale beroepen hebben. Zij maken het namelijk de moeite waard om in de stad te wonen. Zij maken de stad tot een emancipatoire plek waar mensen zich kunnen ontplooien. Een stad met alleen maar bankiers, consultants en makelaars - daar is geen ruk aan.'

Cody Hochstenbach, Uitgewoond, Waarom het hoog tijd is voor een nieuwe woonpolitiek (2022;p.282)

Eerder in hetzelfde boek:

'Het stimuleren van woningbezit creëert, kortom, burgers die vijandig of op zijn minst onverschillig staan ten opzichte van sociale vangnetten, die zich als calculerende investeerders gedragen, en die beleid dat hun belangen als woningeigenaar niet direct dient in de kiem smoren. Woningbezit cultiveert een mindset waarin individuele belangen domineren. Het vormde de afgelopen decennia vruchtbare grond waarin een neoliberale politiek gericht op het uithollen van collectieve voorzieningen zoals de volkshuisvesting kon gedijen.' (p. 71)

Hochstenbach, net als bijvoorbeeld Marjolein Moorman en Claire Baglin een navolger van Didier Eribon en Édouard Louis, is geen groot stilist. Wel weet hij je woede over de uitwassen van het neoliberalisme flink op te stuwen.