‘Eén keer belde mijn vader op vanuit het psychiatrisch
ziekenhuis, en ik las aan de telefoon, die in de keuken naast het fornuis aan
de muur hing, fluisterend twee alinea’s aan hem voor, terwijl bij hem op de
achtergrond de gekken op pannen leken te slaan en gilden. Hij zei, wat een
ramp, dat kun je wel vergeten, en ik zei, bel me nooit meer op. Bel me geen
enkele keer meer op. Ik wist dat het schrijven van mij was. Ik begreep het met
het instinct van een dier – het was van mij. Ik wist ook dat het me kennelijk
van alles afscheidde, dat het me isoleerde. Maar ik was het eens met dit
isolement, en dat ben ik, met restricties, tot op de dag van vandaag.’
Judith Hermann, Kiezels (2024 [Wir hätten uns alles gesagt (2023)];p.107). Vertaald uit het Duits door Herman Vinckers.
En:
‘Then and there, I decided to abandon the pen. I told myself that I would release the leveret in a few weeks anyway. At worst, I would need to replace the bedroom carpet – a sacrifice that already seemed worth it for the sake of this charming creature. But to keep it penned up for even a moment longer felt unbearable. I knocked down the side of the pen, removed all evidence of it, and put the leveret’s box back on the floor, leaving open both the door into the rest of the house and the one leading into the garden. Its behaviour immediately changed. From that moment on, it never left droppings indoors.’
Chloe Dalton, Raising Hare (2024;p.38-39).