‘Aan de Côte d’Azur komen rijke mensen met juwelen. Die verliezen ze bij het zwemmen. Daarom gaat Thomas dagelijks met zijn snorkeltje de Middellandse Zee in op zoek naar goud en parels. Soms komt hij als een blije ekster uit het water. De buit schenkt hij aan Joosje of aan een van zijn dochters. Zij nemen het goud blij in ontvangst, maar weten bijna zeker dat hij de sieraden bij een juwelier gekocht heeft.’
Youp van ’t Hek, Vertrokken vrienden (2026;p.51)
Nabokoviaanse humor. Hoewel. Bij Nabokov zou de held/schurk zijn gezinsleden laten denken dat hij de opgedoken sieraden ergens heeft gekocht, terwijl hij die in werkelijkheid na afloop van een goocheloptreden op een copieus buitenverblijf met eigenhandige vingervlugheid uit de kluis van zijn opdrachtgevers heeft geroofd*. Nog grappiger wordt het als de echtgenote van 'Thomas' doorziet dat hij gestolen goed uitdeelt – en hem aangeeft, niet uit rechtschapenheid, maar omdat ze haar echtgenoot zat is en al langer naar een manier zoekt om van hem af te komen. Toch eindigt ook zij, de echtgenote, schraler dan ze begon, want een vrouw die haar eigen man erbij lapt, daar willen haar dochters niks meer mee te maken hebben. Eind slecht, al slecht.
*Noot: Of misschien wist hij, na een pianorecital te hebben gegeven, het draaislot te openen dankzij zijn fabuleuze, hypergevoelige gehoor. Zie het gedateerde, onderhoudende Tuner(2025).