15, 16, 17 maart 2021

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

'Die poster is tien jaar oud!'

'Leek me in 't kader van de duurzaamheid wel goed om 'm her te gebruiken... 't Affiche hing destijds op een bord bij het Wilhelminapark... de foto heeft al eens op dit blog gestaan.'

'Tot zover de Zendtijd voor Politieke Stemadviseurs.'

'Altijd goed om de mensen erop te wijzen dat we niet tot een dystopie zijn veroordeeld.'

safety first

Een vriendin van mijn moeder bezocht een hoogbejaarde kennis in een verzorgingstehuis. Uit coronavrees werd ieder fysiek contact vermeden, de anderhalve meter ruim gerespecteerd. Het samenzijn was warm en uitbundig. De tijd vloog! Ook bij het afscheid werd het COVID-protocol niet vergeten; de dames gaven elkaar een elleboogje – waarbij de gastvrouw haar evenwicht verloor, achterover viel en met haar hoofd tegen de verwarming sloeg. Ze had een gat in de kop; de wond werd gehecht en de dame zelf moest enige dagen het bed houden. Ik vermoed dat het een medische categorie op zichzelf is: letsel opgelopen - of zelfs levens gelaten - bij pogingen het coronavirus voor te blijven. Soms is voorkomen gevaarlijker dan genezen. Ja, beide dames maken het inmiddels weer uitstekend, dank je wel, de schrik bleek het grootste gevolg van dit ongeval. Gisteren heeft de jongste de oudste opnieuw bezocht, per taxi, vanwege de gladheid.

vrijheid (II)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De lange adem is verschenen bij Uitgeverij Wereldbibliotheek.

ik kom hier niet meer weg

‘Als ik droom, niet uitsluitend ’s nachts in mijn slaap, overdag klaarwakker zijnde komt ook voor, zie ik mezelf jong en krachtig rennen langs hoge brandingen, met twee drie treden tegelijk trappen bestormen, stijldansen, wielerkoersen winnen en gewichten heffen, om nog te zwijgen van de onuitputtelijke verrichtingen van het geslachtsdeel al dan niet in samengaan met dat van anderen, mijn soepele eersteklas lichaam in voortreffelijke staat, nergens pijn, geen benauwdheid grenzend aan stikken, geen incontinentie wegens bejaardheid op de drempel van een vermeend hiernamaals, waar ik eventueel ook niet heen wil. Het is heimwee. Ik ben eenzaam. Ik kom hier niet meer weg.’

Jeroen Brouwers, Cliënt E. Busken (2020;p.248/249)

De verteller van deze roman doet ondanks haperingen in zijn taalcentrum verslag van het leven in een verzorgingstehuis. Waarnemingen en herinneringen en andere associaties vloeien in elkaar over. Je stuit regelmatig op fraaie formuleringen - ‘We schreeuwen van het lachen. De zoute golven over ons heen als instortende daken.’ (p.133) staat er bijvoorbeeld over kinderspel aan zee – maar au fond zit je gewoon 250 pagina’s opgesloten in het gemopper van een opgesloten man. Cliënt E. Busken slaagt er ook door gebrek aan substantie net iets te goed in je een gevoel van claustrofobie te bezorgen.

De verteller moet wennen aan dekolonisatie en andere vormen van emancipatie. Zijn verhaal is klein en de maatschappijkritiek stereotiep: de zorg is een bureaucratische industrie die senioren behandelt als kinderen. Brouwers’ immobiele Busken is een boek lang aan het woord en zijn verbasterende brein mag dan genoeg treffende zinnen produceren, om werkelijk aan te spreken had hij oorspronkelijker en uitgesprokener moeten zijn. Thomas Bernhard had meer uit dit materiaal gehaald.

Een Jeroen Brouwers op leeftijd, hij is bijna 81, schrijft nog altijd beter dan het gros van zijn literaire kleinkinderen. Toch lees ik zijn Cliënt E. Busken in een volgend leven liever voor of na een lockdown.

niet onbesproken (VI)

 

 

 

 

 

 

 

 

Lodewijk Verduin besprak De lange adem voor De Reactor.

poëzie

de pui van de Primera inslaan, voor 7,25

aan snoep en stiften stelen – daarvoor twee

maanden brommen, dát is poëzie

 

bij een sollicitatiegesprek eerlijk zeggen

dat je het slechts voor het geld. Dat je liever

in je bed

 

dát is poëzie

 

duizend ton oplosmiddel de Maas in lozen

omdat jouw fabriek de allermooiste lycra

van de wereld maakt

 

je mensen ontslaan per sms, met je rollator

een kras in de lak van de buurman trekken, dag in

dag uit op dezelfde pantoffels

 

een strik om de maan en een streep door de zon

 

dát is poëzie

 

dertien versies


 

 

 

 

 

 

 

 

De zetproef meegerekend heb ik tussen 2015 en 2020 twaalf keer een integrale uitdraai gemaakt van het manuscript van De lange adem. Wat doe je met die berg papier? Narcistische(r) auteurs ruimen hun troep zooi niet netjes op, maar dumpen die bij 't Letterkundig Museum Literatuurmuseum te  's-Gravenhage.

Onethisch, want voor je 't weet voelt een promovendus in spe zich genoopt haar of zijn leven te verkloten met het vergelijken van de verschillende manuscript-versies van je roman en om een wetenschappelijke editie van 't boek te verzorgen. Gaap, gaap. Het is al erg genoeg dat auteurs (m/v) zoveel tijd verkwisten met het intikken en uitdraaien van hun woordhandel.

Mijn eigen berg bewaard werk mag zich in een hoek van de logeerkamer nog even liggen aanstellen om in april dan toch onverbiddelijk versnipperd in het Paasvuur te worden geflikkerd. Alles wat je kunt bijdragen om te voorkomen dat een ander zijn/haar leven vergooit is een opdracht je morele plicht.

De lange adem (2020) - de voltooide, definitieve versie - is verschenen bij Uitgeverij Wereldbibliotheek.

de nieuwe Knol - verbeterde receptuur!

'Maar als dat, inclusief de zetproef, twaalf versies zijn, dan is de gedrukte tekst dus eigenlijk versie dertien?'

'Klopt.'

'Nou... veel geluk ermee.'

coventry

Outline (2014), Transit (2017) en Kudos (2018) vond ik – hoewel de trilogie van mij gerust een tweeluik had mogen blijven en de romans niet zo vernieuwend bleken als was voorgespiegeld door de kritiek (de volledigheid gebiedt me bij wijze van nuance te noteren dat beroepslezers vanuit een perspectief kijken dat heel veel middelmatigheid moet meewegen)    lekkere boeken. The outline trilogy lijkt me voor doorsnee lezers wel beperkt van thematiek: de boeken gaan zo sterk over vertellen en het schrijverschap dat ik me eigenlijk niet kan voorstellen dat niet-schrijvers er plezier aan beleven. Maar misschien zijn schrijvers zo’n beetje de laatst overgebleven lezers.

Hoe dan ook, anyway, whatever… De kwaliteit van de trilogie was reden genoeg me aan een bundeling van Cusks essays te zetten. Dat bleek een waste of time. Coventry behandelt First World Problems in een tweederangs stijl. Bovendien blijkt de Cusk die opdoemt uit de ‘persoonlijke’ essays een gefrustreerde, geprivilegieerde, materialistische, onverdraagzame, kleingeestige zeurneus. Moet ik haar frustraties verdragen omdat zij er zelf klaarblijkelijk onvoldoende in is geslaagd de slechte relatie met haar ouders, haar katholieke opvoeding, haar scheiding, haar moederschap te verwerken? Huur daar lekker een therapeut voor

Coventry is geen essaybundel, maar een verzameling teksten die allemaal al eens ergens anders zijn gepubliceerd; een reisverslag, kunstcatalogusjournalistiek, reclamewerk, gelegenheidsproducten. Het zijn duffe, schoolse stukken - essays voor ouden van geest. We moeten allemaal onze rekeningen betalen, maar verzin daarvoor iets creatievers dan het exploiteren van verspreid werk.

Ik heb mijn bordje braaf leeggegeten. 

Redenen waarom je af en toe opleeft en blijft lezen: ironie, understatement en flitsen slapstick. Een voorbeeld van dat laatste:

‘Pasgeleden stond ik in de file toen ik een oudere en goedverzorgde man woest in zijn stoel zag spartelen, met maaiende armen en een van woede vertrokken gezicht, terwijl hij naar andere bestuurders dingen schreeuwde die door het glas heen niet te horen waren.’

Rachel Cusk, Coventry, (2019;p.25), vertaald uit het Brexits door Jeske van der Velden en Caroline Meijer.

Nog een voorbeeld:

‘In diezelfde stad [Oxford, MK] kwam ik ooit in de kerstperiode op bezoek bij een gezin waar de vrouw zo onder druk stond door de constante inbreuken van mensen op de smetteloze woonomgeving die ze nastreefde dat toen er iemand per ongeluk een paar naalden los stootte van de boom, we moesten blijven zitten met onze benen in de lucht tot ze ze op had gestofzuigd.’ (Ibid., p.85)

Bij het overtikken vind ik ook deze zinnetjes eigenlijk tamelijk mager…

Waarom, edelachtbare, zou je de essays van Cusk lezen als die van Zadie Smith voorhanden zijn?

al dat kwade bloed

‘Ik moet zeggen dat de reactie van The New York Times me tegenviel. Ik denk omdat ik ermee opgegroeid ben en van de krant hield, er elke ochtend naar uitkeek bij mijn ontbijt, trots op hun rationele, humane lef.

      Maar goed, de Times was fel tegen mij gekant, overtuigd van de gedachte dat ik mijn dochter had misbruikt. Het was tot daaraan toe dat er af en toe acteurtjes of actricetjes opstonden en rondblaatten dat ze spijt hadden dat ze met mij gewerkt hadden, maar de Times, met serieuze mannen en vrouwen die zich wat mij betreft altijd aan de goede kant van de zaak bevonden, verraste me zeer. Toch publiceerden ze achter elkaar artikelen die impliceerden dat ik iets slechts had gedaan, telkens herhalend dat ik beschuldigd werd van het aanranden van mijn dochter en soms toevoegend dat ik ontkende of zelfs dat ik nooit vervolgd was. Wat ze nooit vermeldden, terwijl ze het wisten, was dat ik uitgebreid was doorgelicht en door beide afzonderlijke, diepgaande onderzoeken volledig gezuiverd was van verdenking. En zo bleef alleen de beschuldiging in het nieuws rondzwemmen alsof mijn onschuld nooit was bewezen, wat wel zo was. Ik bedoel, wat zeg je – ontkent hij? Al Capone ontkende ook. En de beklaagden in Neurenberg. Als ik dat had gedaan, zou ik het ook ontkennen. En nogmaals, ze wisten dat zeer serieuze onderzoeken hadden uitgewezen dat er nooit misbruik had plaatsgevonden. De Times had me jaren geleden ruimte gegeven om te reageren, maar sindsdien hadden er nog talloze aanvallen plaatsgevonden, en daar ze een recenter stuk waarin Bret Stephens het voor me opnam weigerden, was er geen enkele interesse in het plaatsen van artikelen die voor mij pleitten. Maar terug naar de vraag: waarom waren er zoveel mensen in de media en in mijn vakgebied zo bereid, zo eropuit mij te schaden? Ik kan alleen maar bedenken dat ik door de jaren heen meer mensen tegen de haren in heb gestreken dan ik me gerealiseerd heb en dat dit de opgekropte woede of ergernis was. Waarom zou je me anders niet het voordeel van de twijfel geven over een hoogst dubieuze beschuldiging die alle verstand te boven gaat? Ik kon er niet de vinger op leggen hoe ik al dat kwade bloed had gezet, maar een hond ziet natuurlijk ook zijn eigen staart niet.’

Woody Allen, À propos (2020;.p340/341), vertaald uit het Engels door een collectief.

Over het bedenken en schieten van zijn films heeft Woody Allen weinig interessants te melden in deze memoires, wel vertelt hij onderhoudend over zijn liefdesleven en zijn loopbaan in het entertainment en maakt hij aannemelijk dat het leven in een metropool als New York vooral zo aantrekkelijk is dankzij de ruime en permanente beschikbaarheid van voedsel.

À propos is geen literaire tekst en Allen spreekt in dit boek met een wat geforceerd toffe stem, toch heb ik zeker twee, drie keer hardop moeten lachen om het relaas. Mijn kinderhand is snel gevuld.

Goed trouwens dat Uitgeverij Prometheus een Nederlandse vertaling heeft uitgebracht. Al betwijfel ik of het middelgrote publiek het cordon sanitaire om Allen doorbreekt: het À propos exemplaar dat ik van de openbare bibliotheek leende leek nog ongelezen.

ontvankelijk

‘Mag ik iets vragen?'

‘Vandaag niet.'

‘Heb je wat kleingeld, voor te slapen?’

‘Nee.’

‘Ik heb nog twee euro nodig.’

‘Ik zei toch nee? Zie ik eruit als iemand die zich bedenkt?’

'...'

'Zie ik eruit als iemand die zich bedenkt?’

‘Een beetje wel.’

‘Onzin!'

'...'

'Waarom zie ik eruit als iemand die zich bedenkt?... Maak ik 'n onzekere indruk?’

‘Niet echt onzeker... eerder, ik weet niet... beïnvloedbaar?’

‘Bullshit.’

‘Trek 't je niet aan.'

'Het is gewoon - '

'Heb je 'n euro-tje voor me?’

‘Ik geef je nu vijf euro, maar dan laat je me de volgende keer echt met rust, oké?’

‘Bedankt man.’

‘Volgende keer met rust laten, hè? Afgesproken?’