de nieuwe Knol (II)

‘Hey, Tyn... waar blijft ie nou?’
‘Wat?’
Die nieuwe roman van je.’
‘Ach, ja… we zijn iets te gretig geweest met aanbieden, maar hij is echt in aantocht.’
‘Die titel was vragen om problemen.’
‘Haha, nou, ik ben al lang blij dat ik niet heb gekozen voor De laatste adem.’
‘Haha, hou vol, mooie gek!’
‘Doe ik.’
‘Eigenlijk publiceer je best weinig?’
‘Vind je? Ik heb juist ’t gevoel dat anderen een beetje overproduceren...'
‘Pas maar op dat je niet onzichtbaar wordt.’
‘Ik dacht al: wat wordt m’n schaduw bleek.’
‘Nog wat interessants gelezen de laatste tijd?’
Habitus, van Radna Fabias, overtrof m’n hooggespannen verwachtingen. Frankenstein in Baghdad, van Ahmed Saadawi, bewijst zich als geinige transpositie van Mary Shelley’s sublieme origineel. Asymmetry van Lisa Halliday leest lekker weg, maar bleek veel conventioneler en oppervlakkiger dan ik op basis van de besprekingen had gehoopt. Nu geniet ik van Powers' The Overstory, Heti’s Motherhood is in bestelling en ik kijk al uit naar Ali Smith’s Spring.’
‘Nog rotzooi gelezen?’
‘Genoeg.’

martijn knol – reaching for the stars since ’76

‘Sinds ’73, toch?’
‘De eerste drie jaar concentreerde ik me vooral op aardse verschijnselen.’


naar buiten


Film: Wad (2018)
Genre: natuurdocumentaire
Regie: Ruben Smit

Een meeuw met een gebroken vleugel. Roodkleurende zeekraal. Zeesterren die mosselen in de houdgreep nemen. Aan fraaie beelden geen gebrek in Wad, aan visie des te meer. De loze voice over – zeikerig suggestief ingesproken door Gijs Scholten van Aschat – voegt betekenisloosheid aan betekenisloosheid toe. Van kennisoverdracht is nauwelijks sprake. Wad is een warrige aaneenschakeling van sentiment en spektakel.

Wat bezopen eigenlijk om in een bioscoop naar de natuur te gaan zitten kijken!

Omdat ik al een bezoek aan Kleurendrift, een – weet ik nu - mooie, compacte tentoonstelling vol modernistisch geïnterpreteerde landschappen van De Ploeg in het koetshuis van Borg Verhildersum, in de agenda had staan, besloot ik, we schrijven een dag na het aardappelfeest waar Mangiare haar uitzending aan besteedde, in één moeite door naar Hornhuizen te karren om daar vanaf de kerktoren een blik op het wad te werpen.

Zo gepland, zo gedaan.

Op Station Winsum moet je van de trein overstappen op de fiets. You lose some, you Winsum. Overal in het land was te zien wat een droge zomer we hebben gehad (halflege vijvers en sloten, kleine aardappelen). Natuurlijk piepte ik bij Hornhuizen even de dijk over. Een paar lepelaars was zo gespot, maar de wildernis die ik in de bioscoop had gezien, lag in de onbereikbare verte.

Film en excursie liggen inmiddels een week achter me. Ik vind Wad nog steeds een kutfilm. Tegelijk geef ik toe dat voor de stadsmens geldt: het ware buiten zie je binnen.

Eindoordeel Wad: twee doodgeknuppelde zeehonden (2/5).

‘Zuinigjes… Misschien moet je ’m nog een keer bekijken?’
‘Je kan me wad.’
‘Haha!, het is me wad!’
‘Meid, wad een toestand.’

‘Hij had op hem gewacht’ – dode ouders

‘Die nacht sliepen we op een matras op de grond, met ons drieën in die minuscule woonkamer vol medicijnflesjes en halflege glazen. We werden de volgende morgen om negen uur wakker en papa had nog altijd die uiterst zwakke ademhaling waarmee hij toonde dat hij nog altijd leefde. Ik was ervan overtuigd geweest dat hij midden in de nacht zou overlijden, maar nee. We konden alleen maar afwachten. Tegen het middaguur arriveerde mijn oom, met zijn tas over zijn schouder. We omhelsden elkaar en hij knielde naast het bed. Hij raakte het hoofd van mijn vader aan en groette hem. Op dat moment werd hij wakker. De scène was bijna irreëel, zo onverwacht was het. Hij opende zijn ogen en zag zijn broer. Hij had op hem gewacht. Drinken we een glas wijn? zei Juancho, en pa antwoordde met: straks, bij het middagmaal, want ik heb nog niet ontbeten.’

Bovenstaande passage is overgetikt uit Mijn begraven boek (2018)*, het mooie en, in meerdere opzichten, behoudende relaas dat Mauro Libertella (1983) schreef over de drankverslaving, scheiding, ziekte (kanker) en het sterven van zijn vader, de Argentijnse auteur Héctor Libertella (1945-2006).

De roman die Peter Verhelst (1962) schreef over het plotse (hartaderbreuk) overlijden van zijn moeder, Voor het vergeten (2018), is een pendant van Libertella’s boekje. Als de verteller, ik zou zeggen: Verhelst zelf, wordt gebeld door zijn vader met de mededeling dat ‘ma’ doodgaat, haast hij zich naar het ouderlijk huis, rent de trap op naar het bed met zijn dode moeder. De gebeurtenis wordt, ook in meerdere opzichten, verwerkt in Verhelsts tekst. Bijvoorbeeld in deze formidabel gestileerde, Ovidiaanse droompassage:

‘En ik zet mijn voet op die trede – glad en zacht – en daarna mijn tweede voet op de tweede trede, blind, feilloos, alsof die ene voet al jarenlang die ene trede en die andere voet die volgende trede kent. Dat doe ik almaar sneller, voet voor voet. Terwijl ik ren, wordt het tapijt ruwer, flarden, rafels, komt de stof los, wordt de trap weer van hout. En de leuning, zo goed kent mijn handpalm die, altijd op dezelfde plek diezelfde aanraking, zodat het hout daar blank is geworden, ontveld. Dat ik, als ik vooroverbuig om de trede aan te raken, zo snel wil ik de trap op, dat ik voel hoe vezelig het hout daar is, hoe het geurt alsof ik mijn neus in een handvol houtkrullen duw. En ik buig almaar dieper voorover, met twee handen op de treden om me in evenwicht te houden. En ik weet niet of ik hier al een uur of enkele minuten of al dagen aan het rennen ben. Mijn ademhaling! Hoeveel uren, seconden, levens zal het duren voor ik eindelijk boven… En nog harder zwoeg ik, op handen en voeten. Ik hoor mijn ademhaling en het bonken van bloed in mijn slapen en mijn hals. In het taaie, stroperige donker. Terwijl het hout van de trap en het hout van de leuning en dat van de lambrisering almaar dichterbij komen. Almaar nauwer. Tot ik niet langer voorovergebogen kan rennen, alleen maar kruipen, eerst geknield en daarna liggend. Me voorttrekkend aan ellebogen en knieën. Tot zelfs dat niet meer…
      Ik proef donker, sapdoorlopen hout, zoet merg.
      Ik bevind me in het hout. In de boom waaruit de planken werden gezaagd voor de treden en de leuning.
      Het zuchten van de boom. De trage, trage bloedsomloop van de boom.
      Een zware loomheid overweldigt me. Over mijn borst schuift fijne schors. Mijn haren lopen uit in bladeren, mijn vingers in takken, mijn voeten in wortels. Uit mijn hals, mijn oren, mijn schedel komt, als een gewei, de kruin.’

Libertella verloor zijn vader als twintiger, Verhelst zijn moeder als vijftiger. Verhelst werd door de dood overvallen, Libertella kon zich schrap zetten. Verhelst begon een paar maanden nadat zijn moeder was overleden aan zijn boek. Libertella schreef het zijne vier jaar na de begrafenis van vader Héctor.

Verhelst toont rouw in actie, levende rouw, bij Libertella is ze verstorven.

Noot

* Mauro Libertella, Mijn begraven boek (2018) [Mi libro enterrado (2013), uit het Spaans vertaald door Merijn Verhulst].

zoek


‘Waar is m’n bril?!’
‘Bij je hoorapparaat.’
‘Waar dan?’
‘Naast je stok.’
‘M’n stok?’
‘Onder het haakje met je stoma.’

saai


Als Asger Holm, een agent die in afwachting van een proces wegens het neerschieten van een crimineel op de alarmcentrale is geparkeerd, zijn baas aan de telefoon krijgt die in het kader van zijn managementtraining een dagje meeloopt op een andere centrale, zegt de laatste over hun tijdelijke werk: ‘Ik vind het net zo saai als kakken.’

De uitspraak vormt een ironisch contrast met Den Skyldige (2018), de film waarin hij gedaan wordt, want die weet je nu juist de volle vijfentachtig minuten te grijpen met de meeslepende wisselwerking tussen de psyche van Asger Holm en zijn taken aan de telefoon. Saaiheid is in the eye of the beholder.

Dankzij een essay van Paul Schrader – regisseur/scenarist van het contemplatieve meesterwerk First Reformed (2017)* - ontdekte ik Boredom and art (2015), een cultuurfilosofische studie van kunsthistoricus Julian Jason Haladyn die helemaal is gewijd aan verveling.

Met ideeën en citaten van Kant, Schopenhauer, Nietzsche en vele, vele anderen bouwt de auteur een kaartenhuis dat voor de duur van zijn boek bewoonbaar blijkt.

Hij betoogt dat er sinds de industrialisering – uitmondend in kapitalisme, natiestaten, rationalisering, vervreemding, spektakelmaatschappijen en consumentisme – en de dood van de grote verhalen een betekeniscrisis is ontstaan die het individu alleen kan bestrijden door zelf waarde en betekenis te scheppen. Voor het eerst in de geschiedenis is verveling bereikbaar voor iedereen:

‘There is a general acceptance amongst scholars of boredom studies that the term is primarily if not exclusively modern, obviously related to previous affective discontents such as melancholia and ennui (to name two), but with the distinction of being broadly experienced by a much wider range of people within society. Such an understanding locates boredom within the larger social and political changes surrounding the 18th century declaration of the Rights of Man, in which rights that had previously been given only to a privileged few were now seen as belonging to all people, or more appropriately citizens, in a society.’

Ofwel: met de luxe komen de luxeproblemen. Voor iedereen.

Modernistische kunstenaars raken doordrongen van de betekeniscrisis en de verveling die zij met zich meebrengt; ze maken schilderijen zonder aansprekend onderwerp, organiseren excursies naar banale bestemmingen, draaien films waarin ‘niets’ gebeurt. Ze ontdekken ‘verveling’ als thema en maken ‘vervelende’ werken om het publiek te herinneren aan haar vrije wil.

Boredom and art vind ik het boeiendst wanneer de auteur ingaat op de functie van verveling in concrete werken van Édouard Manet, André Breton en de dadaïsten en surrealisten, de situationisten, Andy Warhol en Chantal Akerman. Haast terloops brengt Haladyn bovendien interessante passages over het verschil tussen reizen per trein en per koets, legt hij uit hoe moderne musea ontstonden en wat kapitalistische stadsplanning inhoudt.

Iedere middelbare scholier weet dat ook literatuur en verveling iets met elkaar te maken hebben, toch speelt de schrijfkunst, jammer genoeg, geen rol van betekenis in het boek van Haladyn. Teksten van Baudelaire, Breton, Tristan Tzara, Samuel Beckett worden enkel in het voorbijgaan in verband gebracht met de moderne verveling. Voorlopig moeten we het dus maar doen met die heerlijke uitspraak van een Amsterdamse boekverkoopster: ‘Leesbaarheid is een rechts begrip.’

Goed, we gaan afronden… Boredom and art

Je moet er zelf wat van maken. Die gemeenplaats geldt voor het leven en voor de moderne kunst. Verveling helpt je daarbij, zo begrijp ik van Haladyn, omdat zij je bevrijdt van geruststellende conventies en oppervlakkige afleiding. Spannende, sensationele, spectaculaire films zijn eigenlijk saai, want alleen saai is werkelijk spannend. Verveling dwingt je zelf waarden te kiezen. Een interessante visie in tijden van entertainment, afleiding, haast, conformisme en consumentisme:

Verveling bestrijden is betekenis bestrijden.

---


* Nootje

First Reformed (2017). Met een prachtige hoofdrol voor Ethan Hawke die tegelijk te zien is - in een diametraal tegenovergestelde rol, die van verlopen popster - in het lieve niemendalletje Juliet, Naked (2018). Die laatste film heeft als sympathieke weinig verrassende portee dat ware liefde traditionele gezinsbanden overstijgt, wie laat zich daar nog door verrassen?, toch is het best geinig om Hawke in een rol te zien die haaks staat op die van de getourmenteerde protestantse dominee Toller waarin Paul Schrader hem castte.