translating china - utrecht: 11 mei 2017

Op donderdag 11 mei 2017 gaan vertaler Mark Leenhouts, docent Chinese Studies Anne Sytske Keijser, sinoloog/docent in de niet-Westerse wijsbegeerte Jan de Meyer en ik in gesprek over de Chinese literatuur, filosofie, film, cultuur.

Dit gesprek maakt deel uit van het Internationaal Literatuur Festival Utrecht.

Meer informatie over het China-programma op: ILFU.

kalashnikov

Een reis-essay dat ik, in opdracht van Writers Unlimited & PEN Libanon, schreef over een schrijvers-tournee in Beiroet en omstreken, is nu verschenen op de website van Terras, tijdschrift voor internationale literatuur en kunst. Titel: Kalashnikov.

the fresh master of dutch design

Maarten Baas over ontwerpen en over Utrecht.

nzume

'Binnen het systeem van institutioneel racisme heeft iedereen een rol en dus een verantwoordelijkheid. De luxe om weg te kijken bestaat. Zeker als je wit bent is dat een van de grootste privileges ten opzichte van mensen van kleur: mij overkomt het niet en ik doe er ook niet aan mee. Voor mij is iedereen gelijk dus heb ik niets te maken met institutioneel racisme. Alleen, geen mening hebben is wel degelijk een mening hebben. We kennen allemaal het gezegde: 'Als je geen onderdeel bent van de oplossing, ben je onderdeel van het probleem.' En (onbewust) wegkijken is deel van het probleem van institutioneel racisme. Er bestaan geen racistische wetten meer, maar er zijn wel tal van beslissers op allerlei niveaus, professioneel en maatschappelijk, die beleid bepalen, uitvoeren en verdedigen vanuit (onbewuste) vooroordelen zonder dat te onderkennen of zich daar bewust van te zijn.'

Anousha Nzume, Hallo witte mensen (2017; p.63). Het boekje is, net als de NL vertaling van Ta-Nehisi Coates' Between the World and Me (2015) verschenen bij Amsterdam University Press.

'Wat doe ik in godsnaam in Afghanistan?’ – Voir du Pays

‘Wat nieuw voor ons was, was dat de stemmen in de film praatten, schreeuwden, fluisterden en lachten zoals de menselijke stem in het echt ook klinkt. De stemmen toeterden niet, ze waren niet te zwak, ze klonken niet als een echo uit een grot, en ook niet alsof ze uit een zinken gieter of antieke grammofoonspeler kwamen. Als er op het doek een krant werd verkreukeld, klonk dat niet als een theatraal gedonder. Voetstappen op een tapijt of op een gazon klonken niet als het vreemde geluid van een molenvloer… Een kwestie van apparatuur, superieure techniek, zal men zeggen, die niets te maken heeft met begaafdheid. Misschien is dat zo, maar wat is het aangenaam als iets goed is uitgevoerd…’ Colette, De eerste keer dat ik mijn hoed verloor (2017;p.258/259)*.

Boudewijn Koole’s Verdwijnen – ik was er niet weg van.

Kôji Fukada’s Harmonium – een Aziatische Haneke zonder koolzuur of cafeïne.

Jim Jarmusch’ Paterson – mijmeringen van een zijige buschauffeur; als kijker leef je alleen op wanneer je DWF’s Infinite Jest in de boekenkast van de amateurdichter ziet staan dan wel Consider the Lobster op diens schrijftafel ziet liggen.

Na een reeks cinematografische teleurstellingen overwoog ik me voortaan tevreden te stellen met de secundaire kenmerken van het filmhuis, zoals Colette deed, in het fragment hierboven, nadat ze in een New Yorkse bioscoop een flauwe gangsterfilm had gezien. Hoe effectief is de klimaats-beheersings-installatie? Hoe zacht zijn de klapstoelen?

Maar toen zag ik Voir du Pays van Delphine en Muriel Coulin.

Een eenheid Franse militairen landt, op weg van Kabul (Afghanistan) naar Parijs, in Cyprus om zich, onder leiding van defensiepsychologen, in een paar dagen voor te bereiden op een terugkeer naar de burgermaatschappij. Uit gesprekken, fysieke confrontaties en virtual reality sessies blijkt dat geen van de soldaten (m/v) zonder geestelijke littekens uit het oorlogsgebied is teruggekeerd. Zoals één van de soldaten tijdens een dorpsfeest tegen een Cyprioot zegt: ‘Wij hebben de oorlog gezien. Wij zijn anders.’

‘Onze eigen’ Leni Riefenstahl Paul Verhoeven maakte, in opdracht van defensie, ooit een reclamefilm voor Het Korps Mariniers. De zussen Coulin zijn er, geloof ik, eerder op uit militaire carrières te ontmoedigen. ‘Wat doe ik in godsnaam in Afghanistan?’, denkt protagoniste Aurore als ze in besneeuwd berggebied onder vuur wordt genomen door de Taliban. Aan het einde van Voir du Pays besluit ze het leger te verlaten. Het is geen toeval dat Aurore in een vliegtuigscène aan het begin van de film, terwijl de andere soldaten hun slaapmaskers nog ophebben, als eerste haar ogen opslaat en naar buiten kijkt.

Uitgangspunt en situering zijn het fort van de film. Camerawerk en montage zijn prima. Acteerwerk en regie meer dan passabel. Het scenario en de dialogen zijn helaas minder dan matig: te expliciet en een tikje te goedkoop voor het precaire thema.

Net als Eye in the Sky (2015) - waarin kolonel Powell (Helen Mirren) vanuit het comfortabele westen beslist tot een drone aanval ergens in arm en stoffig Kenia - slaagt Voir du Pays er in om geopolitiek (oorlog, fundamentalisme, vluchtelingenstromen) te verbinden met de psychologie van het individu.

Nu kijk ik uit naar films over operaties als Enduring Freedom verteld vanuit het perspectief van Afghaanse burgers.

Eindoordeel Voir du Pays: relevante film, drie vanuit Afghanistan meegesmokkelde streepslangen (3/5).

Noot

De eerste keer dat ik mijn hoed verloor, Zelfportret in verhalen van Sidonie-Gabrielle Colette (1873-1954) is verschenen bij: Singel Uitgeverijen/De Arbeiderspers. Vertaling: Kiki Coumans. In de bundel staan ook stukken die Colette wijdde aan De Grote Oorlog. Over de Tweede Wereldoorlog schrijft ze: 'Ik had mijn nederige plaats tussen degenen die niets anders konden doen dan wachten.'  (p. 308).

schiks

De verteller van A.F.Th. van der Heijdens Kwaadschiks (2016)* geeft - in hoofdstuk XXXII Liefdesdood (4), (p.1114), in een passage die is geschreven in de vrije indirecte rede en waarvan protagonist Nico Dorlas de focalisator is – onbedoeld een bondige samenvatting/interpretatie van Tonnus Oosterhoffs bundel Ja Nee (2017):

‘Ja of nee, het was allemaal dezelfde ademtocht met toegevoegde ruis.’

Het gedicht waarmee Oosterhoff zijn jongste bundel besluit (p.51), publiceerde hij in 2015 in Tirade 458. De laatste regel uit de vroege versie van dat gedicht – ‘Maar ook de stoofschotel kijkt vanonder de glazen deksel naar zijn verorberaars.’ - heeft hij weggesneden en, met een kleine wijziging, ondergebracht in een ander gedicht uit Ja Nee. Die regel luidt nu: ‘De hutspot kijkt uit de pan naar zijn verorberaars op.’ (p.42).

Stoofschotel is hutspot geworden, inderdaad. Maar het cruciale verschil tussen de latere en de vroegere versie van het gedicht dat hij voorpubliceerde in Tirade: in de definitieve versie legt het gedicht zichzelf niet uit. De onbewogen beweger die achter Oosterhoffs werk schuilgaat mag soms een onthechte indruk maken, details doen ertoe. Of zoals het op pagina 21 van Ja Nee heet: ‘We doen maar wat/op leven en dood.’

Morele lessen vallen uit Ja Nee niet te trekken. In Oosterhoffs universum is het niet eten of gegeten worden. Maar: eten én gegeten worden.

Noot
Het scheelde weinig of ik had Kwaadschiks ongelezen gelaten. A.F.Th.’s vorige romans, De Helleveeg (2013) en De ochtendgave (2015), waren, afgezet tegen formidabele, recente romans als Het Schervengericht (2007) en Tonio (2011), broddelwerk. Al kun je, toegegeven, op iedere pagina van het oubollige en stijve De Ochtendgave bewijzen aanstrepen voor A.F.Th.’s grootmeesterschap.

Kwaadschiks ervoer ik als een heel, heel, heel lange aflevering van de televisieserie Baantjer. De roman heeft nauwelijks substantie. In stilistisch opzicht is het echter – ondanks wat weinig variatie in zinslengte – een verrukkelijke tekst. Had het boek vijfduizend pagina’s geteld, dan had ik het ook uitgelezen. Doordat het verhaal zich voetje voor voetje, millimeter voor millimeter, ontwikkelt, laat Van der Heijden zijn lezers de onuitputtelijke rijkdom ondergaan die iedere seconde in zich draagt, althans voor een bewustzijn dat is aangesloten op zintuigen, verbeelding, herinnering. Kwaadschiks is een vuistendik argument in een pleidooi voor het Leven in de Breedte. Bovendien, en dat is, met een trommel vol woordgrappen, een extra attractie, schuimt in het bewustzijn van Dorlas een gistende cocktail van waarheid en fantasie.

Kwaadschiks krijgt een permanente plek in mijn collectie Overbodige Meesterwerken.


De boeken van A.F. Th. van der Heijden en Tonnus Oosterhoff zijn verschenen bij De Weekblad Pers Groep/De Bezige Bij.