nietig

‘Park Biljoen in Velp tijdens de herfst, het staat me onverwachts helder voor ogen.
    Regen in onze gezichten, zijn bril besloeg, bijna geen gesprekken.
    Elke dag hetzelfde rondje. Hij wandelde zijn problemen weg. En als niemand keek, stak hij even de armen in de lucht om heel hard ‘vrijheid’ te roepen.
    Achteraf denk ik dat dat zelfspot was.
    Geketend in een ambtenarenbestaan en een hypotheek op een rijtjeshuis, geen weg meer terug.'
[…] 
   'Hij zei dat herfstbladeren hielpen om het aardse bestaan te relativeren. We begonnen allemaal fris, maar waaiden uiteindelijk allemaal van de boom. Of zoiets.’*

Marcel van Roosmalen, Rondje Biljoen, een wandeling (2026;p.36-37).

En

'Beneden me begint Playa el Charcón (strand van de poel), waar ik nog nooit een baddoek heb zien liggen. Ik kijk naar de oceaan. Ik zou nu van alles kunnen opschrijven over de eeuwige beweging van het water en mijn eigen nietigheid, maar online heb ik al diverse varianten op dat cliché gelezen: ‘Op deze plek kun je voelen hoe weerloos de mens is tegenover de kracht van de natuur.’’

Vrouwkje Tuinman, Ons geheime eiland, een wandeling (2026;p.41).

Beeld (M.K.): telefoonfoto papieren uitgave Tuinman.

*Noot. Of zoals Adriaan van Roland Holst het formuleert in een strofe uit Zwerversliefde (Voorbij de wegen (1920)): 'Wij zijn maar als de blaren in de wind / ritselend langs de zoom van oude wouden, / en alles is onzeker, en hoe zouden / wij weten wat alleen de wind weet, kind - '